Tagarchief: verpleeghuis

Afscheid van ons sociaal werkster

Afgelopen vrijdag kwam ik op de derde verdieping van het verpleeghuis een nieuwe bewoonster tegen. Ontredderd stond ze met een arm in het gips tegen een deur te bonken. Ze was ervan overtuigd dat de kamer achter de gesloten kamerdeur waar een andere bewoner van het verpleeghuis woonde haar kamer was. Vijf jaar woonde ze daar al, wist ze mij met overtuiging te vertellen. Met wat aandacht lukte het om mevrouw richting haar nieuwe kamer te brengen. Een lege kamer die mij in eerste instantie het gevoel gaf dat ik mij vergiste. Alleen de zwarte handtas die aan het bed, waar nog geen overtrek, lakens en sloop lagen, gaf mevrouw en mij een hint dat deze kamer van haar was. 

Het is in de vroege uren van deze dag als ik op mijn fiets richting het nieuwe busstation in Almere rij. Tevens de woonplaats van Tineke, onze sociaal werkster. In een rij staan langs de weg een rij jonge eikenbomen. Een groot deel daarvan hebben inmiddels bruine bladeren, net zoals veel andere bomen die in de buurt zijn geplant ter voorbereiding van de Floriade. Bomen geplant in de droge kleigrond in een droge tijd. Dat overleven deze bomen niet.  

Om bomen te laten overleven hebben ze genoeg water, lucht en goede aarde nodig. Als nieuwe bewoners worden opgenomen dan is het belangrijk dat de kamer gereed is. Ik weet in de aantal jaren dat ik met Tineke werkte dat ze de contactpersoon bij een nieuwe opname was en dat ze zorgde voor de voorwaarden waarbij iemand zo optimaal kon aarden in de nieuwe omgeving. Maar behalve dat deed Tineke meer, veel meer.  

Tineke was een aanspreekpunt voor bewoners. Voor een praatje een klein beetje aandacht. Maar ook bij conflicten tussen bewoners. Tineke loste concreet problemen op. Bewoners ruziede over waar te gaan zitten kletsen. Links of rechts van de lift en Tineke nam daarin een besluit. De ene groep links de andere rechts. 

Tineke was actief bij het moreel beraad en probeerde samen met medewerkers tot logisch geredeneerde oplossingen te komen voor dringende problemen. Tineke hielp op vrijdag met de optredens en de daarbij gekoppelde lunch. Tineke stond achter de haringkar of schepte patat. Tineke hield van eieren bakken voor de bewoners, een huiselijke sfeer creëren voor een ontbijt of diner.  

En Tineke is zelfs ze nu op pensioen gaat nog steeds inzetbaar als vrijwilligster voor het for ever young festival. Tineke hielp en was een van de organisatoren van de 4 mei herdenking en Tineke bewaakte als geen ander de Joodse identiteit. Tot slot kan ik noemen dat Tineke ook jarenlang in de ondernemingsraad heeft gezeten. 

Deze vrijdagochtend stond ik met een vrijwilligster, die toevallig even tijd had om langs te komen in een binnentuin met alleen maar planten en bomen. Geen bewoners. Het is stil in het huis zonder Tineke op vrijdag. 

Tineke werkte vrijdag, van dinsdag tot en met vrijdag, omdat ze op maandag een vaste dag had voor haar kleinkinderen. Via de sociale media mocht ik foto’s bewonderen van oma Tineke met de kleinkinderen. Via diezelfde sociale media was Tineke te volgen bij de Ajax wedstrijden of haar vakanties in Griekenland. Tineke doet veel en wat Tineke doet, doet ze met enthousiasme. 

Tineke is een doenster altijd in beweging, maar Tineke is tegelijkertijd ook een denkster. Iemand met een duidelijke eigen mening en visie.  

Een aantal dagen nadat er bekend is gemaakt dat er een biljoen bomen moeten worden geplant om de klimaatveranderingen te beperken, willen wij je een olijfboom geven die in Israël voor je is geplant.  

Zoals er in het boek spreuken wordt gezegd; het is een boom des levens voor diegenen die haar omhelzen. Degene die haar omhelzen zullen gezegend worden. 

© Amiad Ilsar. 

Met vriendelijke groet,

Amiad Ilsar.

Advertenties

Wat betekent ASF voor ons

Het is vrijdagmiddag. Ik kijk op mijn telefoon. Op het scherm van de telefoon lees ik sjabbat sjalom. Het is een mooie wens. Een wens geschreven door een vader van een oud ASF vrijwilliger. ASF, de organisatie Aktion Sühnezeichen Friedensdienste, viert dit weekend zijn zestigjarige samenwerking met Nederland. Zestig jaar lang compenseren Duitse vrijwilligers landen, die geleden hebben van de Tweede Wereldoorlog. Deze vader is niet Joods, maar het is bijzonder attent. Juist omdat hij niet Joods is. Hartverwarmend. Dit appje is kenmerkend van hoe vrijwilligers en familieleden van de ASF zich openstellen tegenover de Joodse gemeente. Open begripvol met liefde, warmte en nieuwsgierigheid.  

Ik heb in de afgelopen jaren veel vrijwilligers ontmoet. Met bruine, blauwe, groene en grijze ogen keken zij mij altijd met interesse aan. Vrouw, man, meestal in de leeftijd van rond de twintig, net klaar met de middelbare school. Ze komen dan vaak worstelend met de vraag wat verder te gaan te studeren voor een jaar naar Nederland en andere landen in de wereld. Een vrijwilliger of vrijwilligster komt dan naar ons verzorging en verpleeghuis. 

Een jaar van hun leven geven de vrijwilligers voor onze bewoners. Een heel klein deel hiervan heeft nog de tweede wereldoorlog meegemaakt. Bij hun kinderen speelt vaak nog de tweede generatie problematiek.  

De vraag die nu wordt gesteld bij dit zestig jaar jubileum of en hoe ASF in de toekomst verder wil. De tweede wereld oorlog komt steeds verder weg te liggen en de nieuwe generaties zijn allang niet meer schuldig aan de donkere dagen van toen. Ik denk dat het antwoord te vinden is in de tweede generatie. Deze generatie is nog lang niet klaar met de invloeden van de oorlog op hun leven. Ikzelf ben ook tweede generatie en bij ons net als vele anderen was het gebrek aan familie altijd voelbaar. Een klein hecht groepje familie was overgebleven. Het was soms verstikkend. We werden beschermd opgevoed.  

En dan was er de stilte. De tweede wereldoorlog, was altijd aanwezig, maar je kon er nooit over praten. Aan de andere kant had je gezinnen waar de overlevenden familieleden niet ophielden met vertellen en de overige familie traumatiseerde. Kortom de sporen van de Tweede Wereldoorlog zijn nog steeds in de Joodse Gemeente aanwezig.   

Het huidige concept van de organisatie geeft mij voor elf maanden een collega. Iemand met een groot verantwoordelijkheidsgevoel, die er is wanneer hij of zij er moet zijn. Iemand die feilloos weet en aanvoelt wat hij of zij kan bieden aan een bewoner van ons huis. Er wordt geholpen bij een ontbijt, activiteiten en cliënten krijgen extra persoonlijke aandacht. 

Kijkende naar de toekomst dan is het die aandacht, die een deel uitmaakt van de missie van de ASF. Aandacht voor de medemens. Aandacht naar wie hij of zij is, zijn religie, cultuur en afkomst.  

Het is een tegenovergesteld proces van generalisatie, creëren van een hij zij gevoel, van een wij en een vijand. Processen die ten grondslag lagen aan het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog.  

Aandacht voor de ander is het middel om het doel namelijk de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend te houden. Dit is de missie die ik de ASF voor de toekomst zou willen meegeven.  

© Amiad Ilsar. 

Activiteiten

Een ontmoeting in een verzorging en verpleeghuis levert een beeld op van vele kamers en woonkamers. Verstopt in de kamers zitten er bewoners, die niet mee willen doen met de algemene activiteiten. Ook in de woonkamers kan er eenzaamheid heersen. Ouderen kijken elkaar aan zwijgend aan, terwijl ze tegenover elkaar zitten aan een al dan niet gedekte eettafel. Het is somber, deprimerend een verzameling van droefenis. Zo een beeld brand op het netvlies. Het is aan ons- de proffessionals, de mantelzorgers, de vrijwilligers-om dit beeld te veranderen. Hoe doen we dat? 

Er zijn grofweg twee wegen. De weg waarbij we zorgen dat er meer activiteiten zijn in de woonkamers. Deze manier heeft meestal een aantrekkende kracht op de bewoners en zorgpersoneel, die zich rondom de woonkamers bevinden. De activiteiten creeeren een sfeer van veiligheid en warmte. Het wordt prettig om de afdeling op te lopen en er te vertoeven. Het lijkt een oplossing in het geven van gepaste zorg voor een behoeftige doelgroep.  

In ons verzorging en verpleeghuis is er nog een andere mogelijkheid namelijk mensen van verschillende afdelingen samenbrengen voor een activiteit in de binnentuin. Een algemene ruimte die tot doel heeft om een samenzijn te creeeren. In het bijna 30-jarige huis kwamen bewoners, bezoekers en medewerkers samen in het verleden samen. Bewoners waren daartoe in staat. Maar in een veranderende realiteit waarbij de bewoners steeds cognitiever en fysieker beperkter worden moeten bewoners gepord en vaak ook gehaald worden om naar het groene hart te komen en er zijn momenten dat de stilte en leegte als een grauwe deken over de oranje stoelen hangt.  

Persoonlijk geloof ik een model waarbij de nadruk ligt in een centrale rol van de binnentuin als ontmoetingsplek en activeringsplek. Ik ben iemand die erg gelooft inclusie. Juist op de dag dat ik hier mijn mening formuleer wordt er bekend wordt dat inclusie op scholen lijkt te zijn mislukt. Geen gemengde klassen met kinderen meer. Geen kinderen met en zonder rugzakje samen. De leraren hebben geen tijd en middelen, te veel kinderen met problemen die aandacht eisen, de scholen voor speciaal basisonderwijs lopen weer vol. 

Ook bij in het verzorging en verpleeghuis speelt het gebrek van tijd en middelen een rol. De afstanden van boven naar beneden moeten met de bewoners worden afgelegd, de looptijd is relatief lang en dan moet er ook nog worden gewacht op de lift. En na een uurtje moe de weg omgekeerd worden genomen. De inclusie van de verschillende doelgroepen kost veel, maar de winst is enorm. Een kloppend hart in het gebouw, bewoners komen hun afdelingen af, vriendschappen tussen bewoners door alle lagen van de bewoners komen tot stand. En ja er blijven mensen achter in woonkamers en kamers. Het lastige is dat het geen zaak van of, of van en, en zou moeten zijn.Daarvoor moeten condities geschapen worden. Meer tijd, meer middelen. Iets wat een grote uitdaging is. 

Het eerder genoemde beeld van een verlaten binnentuin is namelijk de andere kant van de gewilde activiteiten op de afdelingen.  

© Amiad ilsar 

De schoen

Ik bevind me in een schoenenwinkel. Ik pas een nieuwe schoen. Hij is nog stug, ruikt naar nieuw, ik moet de veters ontwarren en wring mijn voet in de ruimte waar net nog een prop papier zat. Ik loop met een nieuwe en oude schoen naar de spiegel. Kijk hoe het nieuwe schoeisel aan mijn voet zit en ik loop enkele passen. Controleer de pasvorm.  

Het is druk in de winkel. De aanbiedingen trekken vele potentiele kopers op deze zondag. Als ik terugloop moet ik mijn plaatsje op de bank heroveren. Overal liggen schoenen. Op de bank en op de grond. 

Enkele weken geleden lag er ook een schoen op een bank. Niet in een schoenenwinkel maar op mijn werk in een verzorgingshuis. Een zwarte herenschoen. Hij lag op een witte bank, die in de gang bij de lift stond. Een bank die er inmiddels niet meer staat en een schoen die er inmiddels niet meer is.  

De zwarte schoen ligt verlaten op de witte bank

Een beeld uit het verleden opgeroepen door het heden. 

Mijn gekochte schoen is niet zwart. Het is een gekleurde moderne sportschoen van een bekend Amerikaans sportmerk. Ik maak Amerika great again, terwijl ik mijn grijze sportschoenen met opvallende oranje veters van hetzelfde merk achterlaat.  

We stappen door de tijd en laten na afzienbare onze al dan niet versleten schoenen achter. Als medewerker in het verzorging en verpleeghuis heb je sterke stappers nodig.  Je moet sterk in je schoenen staan en lopen. De werkdruk is hoog, maar op de dag dat ik mijn schoenen vooral in de huisomgeving gebruik, omdat het openbaar vervoer staakt, mis ik de aandacht voor de druk in de zorg.  

Na eerdere stakingen in het openbaar vervoer en onderwijs over werkdruk, wordt er nu weer gestaakt ditmaal voor de pensioenleeftijd. Net alsof de medewerkers in de zorg geen zwaar beroep hebben. Op de witte bank staan echt geen schoenen van medewerkers. 

Hier op de gesloten derde verdieping worden voorwerpen op de meest onverwachte plekken achtergelaten. De man of vrouw van de schoen- een herenschoen impliceert hier niet dat degene die hem in het bezit had ook een heer was- is hem misschien allang weer vergeten. In deze gesloten wereld is de verbinding tussen de stappen soms zoek.  

Het zijn de schoenen, de stappen, van de medewerkers, vrijwilligers en familieleden, in wisselende volgorde, die hier het geheel vormgeven. De meeste bewoners, die nog kunnen lopen weten de weg niet meer. Ze weten niet meer waar, wanneer zij hier gelopen hebben.  

Zittende op de witte bank kun je hier in de gang een wisselende stroom van bewoners waarnemen. Achter je bevindt zich de gecamoufleerde lift waar bezoekers en medewerkers eventueel ongezien gebruik van kunnen maken. 

De zwarte schoen ligt hier misschien minuten, een kwartier, een half uur een uur. Zou iemand het hebben opgemerkt? De kans is klein. 

De meeste bewoners missen de opmerkzaamheid, de energie en de wil om alleen naar beneden te gaan. Medewerkers hebben het druk en lopen hier gehaast voorbij. Ze hebben andere doelen voor ogen dan de omgeving te bestuderen. En toch heeft iemand uiteindelijk de schoen weggehaald. Wie hem heeft weggehaald en wie hem daar eerder heeft neergelegd blijft voor mij een raadsel.  

Nadat de schoen is verdwenen verdween ook de witte houten bank.  Drie losse leunstoelen staan er nu. Zonder schoen. 

© Amiad Ilsar. 

Help

‘Help, help’, klinkt het door de gangen van het huis. Een vrouwenstem herhaalt in een monotoon ritme van elke twee, drie seconden haar noodkreet.

In een wereld van een verzorgingshuis en verpleeghuis is de betekenis van de kreet help, niet equivalent aan de hulproep zoals die in de gemeenschap wordt geuit. Help is een roep om aandacht, niet altijd verbonden met een bedreigende situatie.

Een buitenstaander die gestart is met vrijwilligerswerk heeft geen kennis van dit plaatselijk dialect en lijkt geschokt van het feit dat medewerkers ongestoord hun bezigheden voortzetten terwijl er duidelijk iemand om hulp schreeuwt. Hij zegt er niets van. Maar later als we er over spreken blijkt zijn ontsteltenis. Mijn uitleg kan hij niet helemaal te bevatten en riep bij mij ook vragen op die ik hier graag deel.

Dezelfde hulpkreet van deze vrouw leidde mij en een andere jonge vrijwilliger eerder deze maand naar een kamer met openstaande deur, waar de hulproepster een statige vrouw bleek te zijn. De vrouw vroeg ons om haar te helpen om naar bed te gaan. Gezien het vroege tijdstip van de dag, leek mij dit geen goed idee. Ik probeer haar te overtuigen. Probeer haar met argumenten zoals het is nog vroeg en ik ben niet bevoegd om u in bed te leggen, te overtuigen.

Ze blijft echter aandringen en blijft onvermurwbaar bij haar mening. Het gevolg is dat ik in gewetensnood kom. De muren van het kamertje lijken mij in te sluiten en drukken op mijn moraal. Wie ben ik die een vrouw van ruim negentig jaar in een rolstoel verbiedt om op bed te gaan liggen. Mijn verbod heeft alleen kracht omdat ze in een rolstoel zit. Deze mevrouw kan niet anders dan mijn hulp inroepen. Wat als ze nog kon lopen? Wat als ze thuis zou wonen? De regel dat haar niet naar bed wil brengen is mijn regel, is mijn gedachten en is gebaseerd op mijn waarden en normen.

Nu ik hier met de vrijwilliger ben kunnen wij haar op bed leggen. Alleen had ik dit niet aangedurfd. Mevrouw zit niet op een tilmat en hoeft dus niet met een tillift te worden verplaatst. Mijn inschatting is dat we geen zorgmedewerkers hoeven te storen. We kunnen dit met elkaar wel klaren.

We rijden mevrouw naar haar bed. We helpen haar overeind. De draai van rolstoel naar bed gaat moeizaam. Moeizamer is de beweging naar het matras. Mevrouw ploft neer op de rand van het bed en nu zullen we uit gebrek van haar medewerking haar omhoog het bed op moeten sjouwen. Het lukt. Mevrouw ligt. ‘Mag ik een deken?’, vraagt ze. Tja. Dat gaat moeilijk. Mevrouw ligt op de deken. Gelukkig is er een plaid op de stoel naast het bed. We dekken haar toe en we verlaten de kamer.

Ik heb aan de gebeurtenis een gemengd gevoel aan overgehouden. Deze actie leidde tot een reactie van de zorgmedewerkers dat dit niet de bedoeling was. Mevrouw wil immers na een tijd weer uit haar bed. Overdag wordt ze niet op bed gelegd.

Mevrouw wil naar bed, mevrouw wil uit bed. Mevrouw kan dit echter niet zelf en daarom verhinderen wij dit. Daarbij laten we mevrouw haar hulp vraag uitschreeuwen en reageren we niet meer, daarbij constaterend dat mevrouw altijd zo schreeuwt en alleen maar in of uit bed wil….

Wat als mevrouw kon nog lopen…..? Hadden wij haar uit bed gesleurd, omdat wij al dan niet terecht van mening waren, dat ze niet in bed kon liggen?

© Amiad Ilsar.

Wie is Els

In het verzorgingshuis hebben we in de binnentuin een buffet. Het doel daarvan is om thee en koffie uit te delen aan onze bewoners, hun familieleden en gasten. De uitreik van de thee, koffie en misschien het allerbelangrijkst de koekjes, wordt in het algemeen verzorgd door de gastvrouwen en vrijwilligers. Om te vermijden dat bewoners ongecontroleerd de suikerzakjes, de melkcupjes en de koekjes buitmaken zitten er sloten op de kastjes onder het buffet. De sleutel wordt bewaard door de receptioniste. Aan de sleutel-die al een keer is verdwenen- zit sinds kort een lint. Een dergelijk lint –zo is het idee- zal de oplossing zijn voor een verdwijning van de sleutel in de toekomst.

Ik merkte het lint op toen ik na de herfstvakantie weer naar het werk terugkeerde. Ongeveer een maand, drie weken geleden. Toen ik bewoners moest voorzien van de koffie en thee haalde ik de sleutel op bij de receptie. Aan de sleutel hing een roze gevlochten lint dat deel uitmaakt van een sleutelhanger. Op dat lint staat de naam Els. Het intrigeerde mij waar dit lint vandaan komt. Wie is Els? Ik begon een onderzoek.

Zover ik weet zijn er geen vrijwilligers met de naam Els. Ook bij onze rond de 150 medewerkers ken ik niemand met de naam Els. Verder is het zo dat er ongeveer honderd bewoners onderdak krijgen in het vier verdiepingen tellende huis, maar gaan van hen staat bij mij te boek als Els.

Ik vroeg vele vrijwilligers de vraag. Wie is Els? Bruine, blauwe en allerlei combinaties ander gekleurde ogen keken mij vragend aan. Zonder enige uitzondering was er verbazing en onwetendheid. Niemand wist wie Els was.

Ook mijn collega’s aan de balie van de receptie, wisten mij niets te vertellen over de afkomst van het sleutellint of van een persoon met de naam Els.

De weken gingen voorbij en ik wist niet wie Els was. En dan begeef ik mij op donderdagochtend deze week naar de VU. Het hoofdgebouw van de universiteit waar ik ruim dertig jaar geleden aan een studie psychologie was begonnen.

Ik ben hier omdat ik deelneem aan een congres. Op de dag van de muziektherapie komen achthonderd muziektherapeuten en andere geïnteresseerden bijeen om te luisteren naar lezingen van muziektherapeuten en wetenschappers. Onder hen de wetenschappelijke grootheden Eric Scherder en Dick Swaab. Zij vertellen over wat muziek met ons brein doet en dat is niet mis. Muziek heeft een grote invloed op de ontwikkeling van ons brein en heeft wetenschappelijk aangetoonde invloed op ons welzijn.

Het congres start wat later dan gepland. Erik Scherder weet met enthousiasme en humor de zaal te boeien. De bebaarde en bebrilde ranke man wandelt over het grote podium als een ervaren entertainer. Hij krijgt een seintje om te stoppen. Daarop reageert hij dat hij tien minuten later is begonnen. Hij laat zich niet inbinden en hij verwijst naar Els. Els is degene die verantwoordelijk heeft over de planning en Els zal dit gaan oplossen.

Dit is dus Els. Een wat gezette blonde vrouw van middelbare lengte en leeftijd. Zij is de sleutel naar de oplossing………in de universiteit en in het verpleeghuis.

© Amiad Ilsar.

 

Naar buiten of niet ?

‘Ik nam gisteren, meneer naar buiten’, zegt de fysiotherapeut tegen mij. Het is een begin van een relaas over hoe een wat een korte wandeling in de buurt van het huis had moeten zijn zich tot een lange wandeling in de richting van het nabije gelegen winkelcentrum transformeerden. Meneer wou naar huis en weigerde om de geplande route van de fysiotherapeut af te leggen. Verder en verder ging het, totdat de man moe werd en zich gewillig richting het verpleeghuis liet brengen. ‘Neem hem nog maar niet naar buiten. Hij moet nog wennen’. Is zijn advies.

Ik ken die situaties waarbij je wordt geconfronteerd tot een stuurloos gedreven client. Die niets liever doet dan verder en verder weg te gaan van de plek je hem of haar wilt hebben. Het gevoel van verlies van controle wat ik dan voel is heftig. Het gepaard met een snellere hartslag en je kan het behoorlijk warm krijgen. Koortsachtig probeer je in die situaties een oplossing te vinden. De juiste woorden, de juiste zin te zeggen om de teugels weer in handen te krijgen.

Het gebeurde gisteren opnieuw. Ik neem een client, mee naar de binnentuin. Het is een vrouw, die nog niet zo lang geleden is opgenomen. Ze woont daar en we nemen haar beneden om wat sport en spel te gaan doen in de binnentuin. Ze loopt met ons mee. Ze is enthousiast energiek en weet zo nu en dan haar omgeving met scherpe zinsneden en humor de aandacht op zich te vestigen. Beneden aangekomen gaat mevrouw zitten op een plek in de kring, die niet direct onder mijn controle is. Dit is een fout, waardoor ik later tijdens de activiteit haar weer in de gaten krijg als ze al opgestaan is. Ze is onderweg naar de uitgang. Ze gaat naar haar vader. Ze noemt het adres. Ik ben te laat. Het doel is door haar gesteld en ik kan er alleen maar achter haar aan gaan. Zij heeft de controle en ik zal moeten volgen. Tot de voordeur komen we. Nu moet ik assertief zijn. ‘Mevrouw U kunt er niet uit’, zeg ik tegen haar. Ik ga verder. ‘Het is veel te koud buiten. U moet eerst een jas halen’. Dit is een poging om haar de lift in te krijgen. Het lukt niet. ‘Ik ga zonder jas naar buiten’. Zegt ze stellig. Ik heb het nakijken. ‘U kunt echt niet naar buiten’, zeg ik nogmaals. ‘Gaat u maar even zitten. Ik wijs haar naar de bank die hier naast de elektronische schuifdeuren, die toegang naar de straat geeft, staat. Het werkt ze gaat zitten. Hoe krijg ik mevrouw hier weg?

Het antwoord zal moeten komen vanuit de omgeving. Een prikkel waarbij ik met mevrouw kan aanhaken. Zoals de accordeonspeler die even later als een mogelijke redder de lift verlaat. ’Kom we gaan naar de muziek’. Het werkt mevrouw loopt achter mij aan. Weg van de deur.

Moet ik na dit voorval mevrouw niet meer naar beneden nemen? Heeft de fysiotherapeut een punt? Moeten we de cliënten binnen of op de afdeling houden? Moeten we onze cliënten laten wennen totdat ze zich niet meer bewust zijn van de mogelijkheden om uit een verpleeghuis te ontkomen?Misschien? Maar kunnen we het misschien ook omdraaien? Moeten we de behoefte aan een wandeling of een gang van de afdeling juist vervullen? Moeten we juist de tijd nemen voor een uitgebreide wandeling? Zouden we juist meer tijd moeten nemen voor onze cliënten en mogelijkheden moeten scheppen om echt inhoud te geven aan vraag gestuurde zorg?

© Amiad Ilsar.