Tagarchief: Israel

De voetballer

Ze zitten in de binnentuin. Hij een man, client met dementie en zij een jonge vrouw die hier een half jaar vrijwilligerswerk doet. Een roodharig geverfde jonge vrouw, een man met grijs haar.  Hij geboren in Israël, zij in Duitsland. Samen zitten ze naast elkaar en praten in het Duits.

 Duitssprekende bewoners verwachtten we hier niet. De man heeft echter voetbal in Duitsland gespeeld. Als Jood voetbal spelen in het Duitsland, de eerste Israëlische voetballer in Duitsland, misschien in heel Europa. Twintig, misschien dertig jaar na het einde van de oorlog dat was bijzonder. In die jaren kon mijn moeder, die aan de Jodenvervolging was gered door het feit dat ze ondergedoken heeft gezeten niet eens een auto met Duitse kenteken zien. Misschien heeft de man nog meer in Duitsland gedaan, dat weet ik niet. Maar waar het om gaat is dat hij ondanks zijn dementie nog goed Duits weet te spreken. Hoe mooi is het dat hij nog kan communiceren in een voor hem vreemde taal en hoe mooi is het dat de vrouw kan communiceren in haar moedertaal.  

Het is mooi te zien hoe de verbinding plaatsvindt. De eenzaamheid van de man doorbroken. Het verval door de dementie nog even teruggehouden. Dit alles in de binnentuin, de binnentuin, een omgeving met veel licht en groene bladeren.  

Het zou haar opa kunnen zijn, het zou zijn kleindochter kunnen zijn. Ze kennen elkaar enkele weken. Ondanks de dementie, herkent hij haar. Herinnert wie ze is. Weet dat ze Duits spreekt en benadert haar in het Duits. Hij voelt zich veilig bij haar en stapt met haar de wereld van de voor hem onbekende binnentuin binnen. In die wereld kan hij de optredens zien en horen. Genieten van muziek die deels bekend voor hem is.  

Het bekende, wat steeds verder wegglijdt naarmate de cognitieve functies afnemen. Het bekende wat niet alleen in het huis te vinden is, maar ook in de omgeving van het verzorgingshuis. Er is later in de week een gelegenheid om met hem een kopje koffie te drinken bij de koosjere bakker op enkele tientallen meters afstand van het huis. Samen met een collega, de vrijwilligster en een ander bewoner gaat de man op pad.  

Daar bij de bakker terwijl ze genieten van een kop koffie, hoort hij de Israëlische muziek en ziet hij klanten. Klanten die vaak ook een Israëlische achtergrond hebben.  Dit alles samen met de koffie en de typische lekkernijen maakt de wereld herkenbaar. ‘Het lijkt wel Tel Aviv’, zegt hij tegen mijn collega. Lijkt wel. Het begrip dat het niet echt tel Aviv is nog aanwezig. 

Na de koffie wordt er gewandeld, in de buurt. Meneer is verwonderd kijkt rond geniet van de gebouwen en de bomen. Er komt een man op hen af. Hij richt zich tot mijn collega. ‘Je weet niet wie hij is, ik ken hem.’, vervolgens richt hij zich tot de voetballer, die nu op ruim tachtig jarige leeftijd nog goed loopt, zonder rollator. ‘Ik heb als kind naar je op de televisie gekeken. Wat was je goed. Ik heb naar jou gekeken, Ik ken jou. Jij kent mij niet, maar jij hebt bij mij dertig jaar geleden in de winkel shoarma gegeten. Je bent altijd een mooi mens gebleven’. 

En nu ruim een week later zit hij opnieuw in de binnentuin. Met een kopje koffie. Even uitblazen na een driekwartier beweging. Naast hem mijn collega. Hij roept mij als ik langs kom. Hij vertelt mij van de ontmoeting. ‘Ik liep buiten en ineens kwam een man naar mij toe. Hij zag mij van ver. Hij herinnerde wie ik ben. Ik ben emotioneel’.  

Wij ook….. 

© Amiad Ilsar. 

Advertenties

Vijftig

Ik kan mij de allereerste Chanoeka van mijn leven niet herinneren. Net als andere gebeurtenissen is het licht van de eerste kaars nooit opgeslagen in een nog niet gerijpt en ontwikkeld systeem. Ik was iets meer dan een dag oud. De eerste kaarsen verschenen op de vensterbanken in mijn omgeving. Niet op de vensterbank van mijn familie. Het Jodendom had nog geen plek in mijn leven.

Op ruim twee jarige leeftijd verhuisde wij naar Nederland. Hiermee verschraalde mijn Joodse identiteit nog meer. Niets was er om deze te vormen. Alleen een grote leegte. Een grote leegte die mijn ouders zonder hun eigen ontbrekende kennis niet konden opvullen. Mijn vader was opgegroeid in een Kibboets en was daar vooral in het zionisme geworteld en mijn moeder was na haar onderduik en de gevolgen van de tweede wereld oorlog juist naar het heilige land vertrokken om een vorming in haar identiteit te krijgen. Mijn zus en ik groeiden op als bijna volledige Nederlandse kinderen. Inclusief de vieringen van Pasen en Kerst op onze basisschool. Alleen onze namen en uiterlijk vertelde alles over onze werkelijke afkomst.

Het bewijs voor mijn afkomst bevond zich natuurlijk ook, tussen mijn benen. Het was duidelijk dat ik anders was dan de andere jongens die zich in de gezamenlijke kleedruimte tijdens het schoolzwemmen verkleedde, maar een verklaring had ik niet. In de relatie met mijn ouders was ik ook niet gewend vragen te stellen en zo bleef mijn unieke lichaam tot het moment dat ik naar de joodse school verhuisde een groot mysterie.

Met de nieuwe omgeving kwam er ook nieuwe kennis, algemene kennis en kennis over het Jodendom. De eerste druipende Chanoeka kaarsen verschenen bij onze familie op de vensterbank toen wij de zorg van een aantal Joodse kinderen kregen.

Als het project met de kinderen tot stilstand komt als mijn ouders opnieuw hun geluk in Israël proberen te hervinden eindigt een hoofdstuk in mijn leven. Een hoofdstuk dat zich afspeelde tussen de toen zestien miljoen inwoners van een klein polderland in West Europa. Een nieuw hoofdstuk wordt geschreven in Israël. Hier word ik bewust van een Joodse identiteit. Hier was het aansteken van de kaarsen als de toevoeging van een enkel klein kaarsje in een zee van brandende kaarsen. De warmte van het feest, het gevoel van eenheid, het waren dagen van geestelijke rijkdom.

Nu vijftig jaar na mijn eerste kennismaking met de wereld en Chanoeka bevind ik mij in een tot voor kort onbekende wereld, de wereld van het moment, de wereld van de vergetelheid, de wereld van het verval en tevens de wereld van innig mooie momenten van geluk en blijdschap. De wereld van de dementie. Vandaag is het de eerste keer dat ik Chanoeka vier tussen de muren van een vergeten wereld. De zwarte letters op de witte achtergrond schijnen hun licht op een eerste ervaring na vijftig jaar.

Het is niet makkelijk om hier te zijn op de dag van mijn verjaardag. Ik ben hier nodig. Maar ruim dertig kilometer oostwaarts hiervandaan is mijn thuis. De plek voor het raam waar straks het licht naar buiten schijnt wordt door mijn familie ontstoken terwijl ik er niet ben. De eerste avond, de eerste kaars, het einde van mijn verjaardag. Ik mis het en de familie mist mij.

Behalve de familie mis ik hier de echte kaarsen. Ik had dit niet verwacht. Een Chanoekia, een kandelaar voor Chanoeka met lampjes. Negen lampjes zelfs een negende sjamasj als lamp. Een kandelaar met negen lampjes. Het is een leuk alternatief voor echte kaarsen, maar niets kan het leven, de ziel, de warmte van een brandende vlam vervangen.

De man die wat later met volle overgave de gebeden in het Hebreeuws voorleest, lijkt deze alternatieve Chanoekia niet op te merken. Kaars of geen kaars, vlam of lamp hij lijkt in de overvloed van emoties, in de vloedgolf van herinneringen uit het verleden de lamp net zo goed met een draai te ontbranden als een kaarsvlam, met behulp van een andere kaars. Het is een ontroerende gebeurtenis en daar doet een lamp niets af. Een man, hier in de woonkamer, gezeten in een rolstoel, ruim tachtig jaar oud, in het Hebreeuws reciteren. De man vroeg om het gebedenboek. Ik gaf het hem het gebedenboek, nam hem mee naar een lage kast, bij de televisie, niet ver van het raam geplaatste Chanoekia. Enkel faciliteren en de rest ging vanzelf. De voor mij nieuwe ervaring liep uit op een emotioneel uitgesproken gebed, dat een zuster tot tranen toe ontroerde. De man die mij vertelde dat hij in oorlogstijd door de aanwezigheid van Hebreeuwse teksten het leven kon laten, kan nu in vrijheid de wereld verlichten. Het wonder van het kruikje olie wat acht dagen brandde wordt herleefd in het wonder van de voortgang van het leven. Juist op deze plek waar het leven zich eindigt. Juist nu op een avond die voor mij vijftig jaar afsluit.

© Amiad Ilsar.

Een begrafenis in de sneeuw.

He, Amiad een luide stem verwelkomt mij in een donkere wereld, maar warme wereld.  Het is vreemd om te kunnen stellen dat de dood zo veel warmte en geborgenheid kan geven, maar als buiten de gevoelstemperatuur rond de min 15 is, dan is een entree in een gesloten ruimte een aangename ervaring. Het is een feit dat in dit duistere zaaltje waar het lichaam wacht op het vertrek om in de aarde van een klein dorp aan de Amstel de laatste rustplaats te krijgen, het warm aanvoelt.

Een warm weerzien van een goede vriend, ook dat is een gebeurtenis in het duistere zaaltje, waar aan de voorkant tegen de muur aan de rechterkant een zwart gevaarte met twee kaarsen aangeeft waar het lichaam ligt. Vele vrienden en bekenden zijn aanwezig, die met mij de komende uren een verbinding maken met het verleden. Een ver verleden van ongeveer veertig jaar geleden. In 1980 of 1981 was het dat ik de vrouw, voor het eerst ontmoette. Een jong volwassenen was ik toen. Geboren in 1963 was ik dus een jaar of zeventien achttien jaar oud.

Ik ontmoette Miriam voor het eerst in sjoeltje West. Evenals deze plek was die plek, Sjoeltje West  een warme plek, die mij een warme spirituele plek gaf in een koude vrij betekenisloze wereld buiten. Alhoewel ik al heel wat jaren op de Joodse school zat, had het geloof nog weinig warmte naar mij kunnen uitstralen. Geloof stond vooral in relatie met de eerste koude ervaring in een holle lege Lekstraatsjoel waar ik mijn Bar Mitswe had gedaan. De latere ervaring met de sjoel in de Linnaeusstraat, ook wel sjoeltje Oost genoemd was beter, maar niet genoeg om mijn Joodse identiteit vorm te geven. De twee sjoels in de Amsterdamse Lekstraat en de Vasco di Gamastraat zijn ook op het internet verbonden. Zoekende naar een foto van de vroegere sjoel staat daar ook de Lekstraat als enige andere sjoel op het scherm.

In sjoeltje West werd door de bezielende leiding van familie Evers een open en warme wereld gecreëerd waar mensen werden geaccepteerd. Een acceptatie gebaseerd op het mens zijn. Wie je was maakte niet  uit om je een deel van het geheel te voelen. Het was geen toeval dat ik juist daar Miriam tegen het lijf liep. Voor Miriam was het leven niet simpel. De steun en warmte die twee wekelijks op de sjabbat werd gevoeld moet haar zeker goed hebben gedaan.

Het is 1986 als ik Nederland voor Israël inruil en ik de band met Miriam verlies. Ik leid mijn leven en zij haar leven. Twee levens in twee delen van de wereld, die in 2001 weer wat nader komen als ik weer terug naar Nederland kom. Het is weer tien jaar later als ik voor de organisatie waar Miriam onderdak geniet ga werken. Ik ontmoet Miriam zittend in een rolstoel ergens in de ruimte van een aantal verdiepingen tellend gebouw, waar zij een appartement heeft. Voor mij is de schok groot. Miriam die ik kende als normaal functionerende vrouw is nu een vrouw die zich bevind in een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking, zo kende ik haar niet.

In de daarop komende jaren ontmoet ik Miriam regelmatig in haar appartement. Altijd stond de deur wagenwijd open. Symbolisch voor Miriam die haar hart altijd opende voor de mensen om haar heen.

Door die geopende deur wou Miriam weg. Ze maakte uitstapjes, maar aan de andere kant wou ze de deur ook gesloten houden. Thuis in de beschermende omgeving haar leven . Het was niet eenvoudig om weg te gaan. De benauwdheid door de longemfyseem speelde een grote rol, altijd maar het gevecht naar een hap lucht. Een zuurstoftank verbonden met een holle dunne doorzichtige slang in haar twee neusgaten verlichtte de strijd. Zelfs in rust vond ik haar vaak verbonden aan de kunstmatige luchtbron.

In haar appartement trof ik haar aan zittend voor een tafel, waar ze tussen allerlei spullen een plekje had gevonden voor haar puzzelboek, soms lag ze op bed . Al dan niet gericht op het beeld van een kleine televisie. De televisie was vaak aan en bleef ook aan. Met mijn rug daar naar toe zaten we tegenover te praten over vele zaken. Al snel kwam er een structuur in ons gesprek, die gaande weg de tijd tot een vaststaand patroon werd. Eerst even klagen over de gang van zaken, over de instelling, de begeleiding, daarna vragen over de gesteldheid van mij. Vragen over mijn familie, hoe het met hen ging. Altijd geïnteresseerd in een ander, dat was Miriam. Ze wist veel over de ander te onthouden, kon mij vertellen hoe wij vroeger waren, mij een spiegel voorhouden. Een spiegel, die voor mij een tijd reflecteerde waar ik nog nauwelijks bewust was van wie ik was, of wie ik wilde zijn.

De zoektocht naar mijzelf neemt mij mee naar Israël en laat een verleden achter en een nieuwe toekomst aan de horizon opbloeien. Maar het verleden keert terug in de toekomst en zo word ik geconfronteerd dat een verleden altijd in een nu aanwezig is. Ook voor Miriam speelde dit. Haar jeugdjaren in Suriname, haar ouders, haar tante ze bleven verscholen achter een oppervlakkige ademhaling, onbereikbaar voor de toegevoegde zuurstof. Als teken van het verleden hing er een kleine Surinaamse vlag aan de muur en een houten figuurtje dat ook bij ons de muur sierde, gekregen van een Surinaamse familie.

Het eten, de muziek geuren en kleuren van een verleden. Een verleden waarin ze als zes-, zevenjarig meisje met een bos haar door het leven huppelde. Erg gehecht aan haar vader. Zo beschrijft een kennis haar.

Maar op deze dag is de wereld buiten het overdekte stadion grijs en wit. Als we bij de begraafplaats aankomen brengt een lang pad met een bruine verdorde bladeren ons naar een klein gebouw, waarbinnen een kleine man met zwarte hoge hoed, die sterk contrasteert met zijn witte baard een afscheidsrede voor Miriam houdt. Mannen, vrouwen en een heel enkel kind staan opeengepakt om te luisteren naar zijn woorden. Gebeden worden hier gezegd en niet zoals gewoonlijk buiten, in verband met de kou. Want zo zegt de man, de eer voor de dood is ook de eer voor het leven. Een zwaar leven dat even later wordt afgesloten in een koude zandgrond, terwijl witte vlokken de wereld baden in een deken van pure onschuld.

Dag lieve Miriam.

©Amiad Ilsar.