Tagarchief: bloemschikken

Spontaan zingen

We zijn bloemen aan het schikken. Een aantal bewoners zitten aan een groep verschillende tafels in een ruimte, die ook dienstdoet als ontbijtzaal. Na een half uur staan de meeste bloemstukken in alle pracht voor de mensen op tafel of op de kar om op de kamers te worden bezorgd. Ik hoor dat iemand spontaan is gaan zingen, een bekend liedje. Nederlandstalig. Droomland. 

De vrouw die tegenover de zangeres zit begint al snel met haar handen te klappen en een andere vrouw roffelt met haar vingers op het tafelblad. Ik hou van dit soort spontane dynamieken. Ik probeer het vuur aan te wakkeren en op zijn minst te laten branden. Ik maak oogcontact met degene die klap en klap mee. Ik loop richting de tafel en ga naast de vrouw staan die is begonnen te zingen. Nabijheid is nodig om van betekenis te kunnen zijn in een activiteit met de bewoners die hier aan tafel zitten. Ik sluit aan bij haar zang. Tegelijkertijd roffel ik zo nu en dan met de vingers op de tafel. 

Een dag geleden heb ik een workshop gevolgd over het toepassen van muziek in de zorg. Hoe toevallig dat er nu wordt gezongen, dat gebeurt nooit bij bloemschikken. Ook als je geen ervaren musici bent kunt je muziek inzetten als middel voor activatie, ontspanning, plezier en contact. Er is nog tien minuten tot het einde van onze activiteit- die dus in feite al is afgelopen- Ik besluit het moment uit te gaan bouwen. Ik ken de woorden niet. Ik loop een verdieping naar beneden en haal een versterker. Op deze manier kan ik het liedje laten afspelen en kunnen we meezingen. Omdat ik weinig tijd heb neem ik geen verlengsnoer mee wat op een andere plek ligt. Een cruciale beslissing, waar ik later spijt van krijg. 

Ik kom weer boven ditmaal met de lift. Het is stil geworden. Er klinkt geen ander lied. Om hier een activiteit gaande te houden is er een katalysator nodig. Die is er nu in de vorm van de muziek, die ik met bluetooth vanaf mijn telefoon kan laten horen. Doordat er geen stopcontact is bij de plek waar de muziek makende dames zitten, moet ik uitwijken naar een plek verder weg en moet ik het volume vrij hoog zetten, zodat iedereen het kan horen. Ik kies voor droomland in de uitvoering van Heintje gezien de leeftijd van de dames. Nu de woorden hoorbaar zijn kan er meegezongen worden. Dat gebeurt met veel enthousiasme. 

Als het lied is afgelopen vul ik de woorden het dorp in op de zoekbalk van de website en even later klinkt even later de stem van Wim Sonneveld door de kamer. Dit lied hebben we gisteren tijdens de workshop met veel plezier gezongen en ook hier terwijl ik mij tussen de aan tafel zittende mensen beweeg wordt het goed ontvangen.  

We moeten helaas afsluiten met dit lied. Het is tijd.  

‘Het was gezellig’, hoor ik de vrouw in de rolstoel zeggen- zij, die begon met zingen- als ik haar naar de lift rij. 

© Amiad Ilsar. 

Advertenties

Het bloemstukje

Het is woensdagochtend elf uur en dat betekent dat er bloemschikken op het programma staat. We hebben rekening gehouden met tien deelnemers. Daarvoor is alles klaargezet. Natte groene stukjes schuim, een plastic bakje, een schaar en een bosje bloemen.  

Ineens verschijnt er aan de tafel een vrouw die ik heel lang niet gezien heb. Een vrouw, die zo recht mogelijk achter haar rollator loopt. Ik ben blij haar te zien, maar moet nu wel nog een setje bloemen en benodigdheden pakken. 

Mevrouw woont in de aanleuningwoning en komt heel trouw als haar gezondheid en andere condities het toelaten meedoen bij het bloemschikken, dat we hier voor de bewoners organiseren. 

Als mevrouw klaar is vraagt ze of ik het stukje ook bij haar thuis kan langsbrengen, net als ik dat met de bewoners van het huis doe. Ze vraagt dat omdat ze een type rollator heeft waarbij er geen stevig bovengedeelte is, dat een bloemstukje stabiel kan dragen.  

het bloemstukje

Haar vraag komt op een zeer ongelegen moment. Ik heb vandaag maar een vrijwilligster in plaats van drie of vier en ik heb eigenlijk geen tijd om ook nog naar de aanleunwoning te lopen. Het is ook eigenlijk niet de bedoeling dat wij dit doen. Wij zijn er voor de cliënten van het huis, niet voor de aanleunbewoners. Deze mensen moeten zelfstandig zijn en zaken voor zichzelf regelen. Aan de andere kant de vraag is geen vraag uit verwenning, maar het is pure noodzaak. Mevrouw is echt niet in staat om zelfstandig met het bloemstukje terug naar huis te keren. Maar als ik een ambtenaar was geweest dan had ik nee moeten zeggen. Maar ik ben geen ambtenaar. 

En dus. Is mijn antwoord positief. Ik breng het straks wel even bij haar langs hoor ik mij zeggen.  

Na afloop van mijn lunch en voor de volgende activiteit van het pannenkoeken bakken loop ik richting het aangegeven nummer van de aanleuningwoningen. Haar appartement blijkt op de eerste etage te zijn. Een tergend langzame lift brengt mij ernaartoe. Ik loop liever, maar ik zie zo snel geen trappenhuis. 

Vanaf de gang weet ik waar haar flat is, omdat ik haar nieuwe scootmobiel zie staan. Als ik op de deur aanbel waar haar naam op staat hoor ik een, ja binnen. Voor de zekerheid wacht ik tot ik het een tweede keer hoor en maak dan pas de deur open. Ik tref mevrouw in de keuken aan. Ze is aan het lunchen. Ik geef haar de bloemen. De bel gaat. Volgens haar is er iemand aan de deur. 

Langzaam loopt ze achter haar rollator richting deur terwijl de bloemen even op een tafeltje naast haar eten wordt gezet. 

Ze bedankt mij en ik bedank hierbij mevrouw. Het is heel fijn om iemand gelukkig te mogen maken, zelfs als het niet echt uitkomt. 

@Amiad Ilsar. 

Niet invullen

Soms zijn er veel vrijwilligers aanwezig om te helpen met de activiteiten. Soms zijn er heel weinig. Vandaag is het zo’n moment. We gaan bloemschikken. Ik kom met een vrijwilliger terecht op de vierde verdieping met wat bloemen, scharen, steekschuimsponsjes en plastic bakjes. We snijden de bloemen en samen met de bewoners schikken we voor alle aanwezigen een bloemstuk.  

En dan komt het moment dat de bloemstukken naar de kamers mogen. De regeling is dat iedereen die een bloemstuk maakt dit naar zijn of meestal haar kamer kan nemen. Als we met veel vrijwilligers zijn dan schikken we in een grote groep beneden in de binnentuin en dan brengen we de bloemen naar boven. Naar de kamers van de bewoners. 

Dan sta je met een bloemstuk in een kamer en moet je besluiten waar zet ik hem neer. Vaak staat er nog een verwelkt stukje, dat betere tijden heeft gekend. Nu ik boven ben en dicht bij de kamers kan ik het beste zelf de bewoners vragen. De bewoners zitten hier bijna allemaal op een rolstoel. Dus is het aan mij om de bewoners naar hun kamer rijden. ‘Wilt u de bloemen vasthouden’, vraag ik? Dan rij ik u naar u kamer.’ 

Aangekomen in de eerste kamer, die vrij kaal is lijkt het mij logisch waar de bloemen moeten staan, op het tafeltje naast het bed. Ik wijs dan ook op dit het meubelstuk. Maar ik vul nu in. Ik ga uit van mijn eigen gezichtspunt. Mevrouw in de rolstoel wijst echter resoluut naar het aanrecht. Daar moet het bloemstukje staan. Deze plek is ook favoriet bij een andere bewoonster. Zij geeft mij ook nog instructies hoe ik de door haar verzamelde plastic bakjes van oudere verwelkte en weggegooide bloemstukjes kan vinden.  

Ik loop vervolgens opnieuw met een bewoonster richting de kamer. Waar zou zij de bloemen geplaatst willen hebben? Ik vul nu niets in. Ik laat het op mij afkomen. ‘Naast mijn moeder’ is het antwoord van de inmiddels overleden dove vrouw met haar roodgeverfde haren. Ik zet de kleurige bloemen naast de zwart witte foto van een statige vrouw.  

De laatste bloemen leiden mij met een vrouw naar een kamer met een tafel waar ook al een bloemstuk staat. Het is dan ook niet verassend dat het nieuwe net gemaakte bloemstuk daar terecht moet komen. Maar ik plaats de fleurige bloemen niet eerder dan ik hoor. ‘Op tafel’. Niets is immers zeker en ik moet niet invullen. Nu niet en nooit niet. 

Een mooie les op het eind van zomaar een woensdagochtend in een vier verdiepingen gebouw, waar rond de honderd hulpbehoevende mensen zorg krijgen. 

© Amiad Ilsar 

De schaar

Het is maandagochtend. Acht uur. Op deze schemerige oktoberochtend straalt de verlichting van de entree me tegemoet. De eerste sluisdeur wordt geopend en ik wacht tot de tweede deur centimeter na centimeter mij de toegang tot het gebouw verschaft.  

Ik loop over de wit beige vloertegels en groet de receptioniste. Ik ben op weg naar ons kantoor op de benedenverdieping mijn bewegingen zijn automatisch. Ze worden gestopt op het moment dat ik de balie voorbij ben en ik mijn naam hoor roepen. Ik krijg van de receptioniste een briefje en een schaar in mijn handen gedrukt.   

Ik lees op het briefje; daar is het weer. Rara van wie? Ondertekent met Diana.  

Ik kan dit raadsel snel oplossen. Ondanks het vroege uur en het feit dat ik nog niet helemaal wakker ben weet ik meteen wie het is. Ik moet glimlachen. Het is haar weer gelukt. In een ogenblik waarop wij, niet waakzaam waren. Op een moment dat onze aandacht verslapt was is het mevrouw tijdens het bloemschikken gelukt om een schaar achterover te drukken. Er is maar een iemand die scharen van het bloemschikken meeneemt. Het waarom is mij niet altijd duidelijk wel dat mevrouw meer dan wie dan ook, die hier in het huis nu wakker wordt zaken verzameld.  

In het verzorgingshuis wonen een bonte verzameling van mensen, die allemaal verschillende achtergronden en gewoontes hebben. Een van de bijna honderd bewoners, die ik al een aantal jaren ken, is een sociaal betrokken en bewogen vrouw. Mevrouw houdt van zang en activiteiten. Van uitstapjes tot een bewegingsactiviteit en van een sabbatviering- terwijl ze helemaal niet Joods is- tot bloemschikken bij alles doet mevrouw mee.  

Een tijd lang verzorgde ik voor mevrouw een ontbijt. Samen met een vijftal anderen ontmoette ik haar een aantal keer per week bij de eerste maaltijd van de dag. Ze begon op een gegeven moment plastic bakjes te verzamelen. Gebruikte bakjes van de vla bijvoorbeeld. Dat deed ze voor haar kleinzoon die daar winkeltje meespeelde. Ze was zich er niet meer van bewust dat haar kleinzoon inmiddels de dertig was gepasseerd. Het bleef niet bij bakjes er gingen ook plastic lepeltjes bij, suikerzakjes, jambakjes, mandarijnen. Alles ging in het netje van de rollator. Omdat de hoeveelheid spullen in het netje groeide en het geheel ook onhygiënisch werd, besloten we in overleg met haar dochter om het netje te verwijderen.   

Mevrouw vond toen een vervanger voor haar netje, haar tas. Deze tas bond ze heel handig over de handvaten. Hoewel ik de tas de laatste weken niet meer gezien heb, is het haar dus weer gelukt om een schaar weg te smokkelen.   

Op deze ochtend kan ik er om lachen. Ik lach om haar vindingrijkheid en doelgerichtheid. Een vrouw met karakter. Geknipt voor elke activiteit.   

© Amiad Ilsar.  

 

 

Het bloemstuk

Het is woensdagochtend. Tijd voor bloemschikken. Bloemschikken is hier een activiteit waar we- twee vrijwilligsters en ik- met ongeveer tien bewoners een bloemstuk van vijf bloemen en wat bladeren maken. De bewoners betalen een kleine eigen bijdrage en mogen vervolgens hun creatie naar hun eigen kamer brengen. Van te voren moeten we de bloemen bij de bloemist kopen en dus moeten we van te voren weten hoeveel deelnemers er geïnteresseerd zijn. Er is een vaste groep en daarbij zijn er bewoners die zo nu en dan meedoen. Om mijn innerlijke drive naar vernieuwing tegemoet te komen bedenk ik mij dat de vrouw tegenover mij aan de ontbijttafel een nieuwe kandidaat kan zijn.

De vrouw, die rechtzijdig verlamd is zit in de rolstoel aan de tafel. Ik ken mevrouw die zwijgzaam haar leven in een rolstoel slijt al geruime tijd. Ik schat aan de ervaring in dat ze eigenlijk wel mee zou willen doen. En inderdaad ze wilt meedoen. Ik zet haar naam op de deelnemerslijst en koop een half uur later ook voor haar het vijftal bloemen en de bladeren.

Mevrouw woont op de vierde etage en het bloemschikken vind plaats in de binnentuin van het gebouw op de begane grond. Nadat de bloemen zijn gekocht haal ik mevrouw op in haar rolstoel. Gekleed in een witte winterse trui zit ze met haar rechterhand op een kussentje die op haar tafelblad rust. Ik zet haar aan een grote tafel, die gevormd wordt door een aantal aaneengeschakelde tafels. Een aantal minuten later kunnen we beginnen met het bloemschikken als alle deelnemers zijn verzameld en bloemen, scharen, bakjes en steekschuim op de tafel klaarliggen.

Door het wachten is het attentieniveau van mevrouw gedaald. Haar hoofd is wat voorover gevallen en het lijkt erop dat ze in slaap is gevallen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat iemand tegen mij haar twijfels uit over het nut om deze dame te laten bloemschikken. Haar gedachten zijn mij niet vreemd. Een vrouw in een rolstoel, die slapend haar eerste entree bij de groep maakt wekken gevoelens op die heel ver liggen van enig competentiegevoel. Dit is natuurlijk niet verwonderlijk. Maar ik geloof dat het goed gaat komen. Ik weet dat mevrouw en ik een bloemstukje gaan maken en ik weet dat het gaat lukken. Samen niet zij alleen en niet ik in plaats van haar. Samen gaat lukken.

Het bloemschikken is een middel. Slechts middel om het doel deze dame te activeren en haar geest en gezonde hand in actie te krijgen te bereiken. Mevrouw is wakker en attent, haar hoofd recht en haar geopende ogen kijken achter haar brilglazen de wereld in. Een rond groen stuk steekschuim ligt voor ons op tafel. Vijf bloemen en een schaar ernaast. Ik vraag haar welke bloem ze wilt en ik geef haar daarbij keuze uit twee grote bloemen die het hart van het bloemstuk kan vormen. Een roos en een zuid Afrikaanse bloem, suikerbossie. Ze kiest voor suikerbossie. Ik vraag hoe lang ze die wil hebben en wijs haar een aantal verschillende hoogten op de steel aan. Ze geeft een duidelijk antwoord, ergens halverwege moet de steel gesneden worden. Ik geef haar vervolgens de bloem in de hand en ik knip de steel. We werken samen, zij en ik. Mevrouw legt het afgesneden steel weg en ik laat haar de bloem in het steekschuim steken. Na deze bloem volgen wij dit proces nog met de vier andere bloemen. Een onverwachte creatie komt uiteindelijk ten einde met wat groene bladeren. Een creatie die het werk is van een vrouw die nog heel goed weet wat ze wilt en een man die met plezier haar hielp om haar gedachten in de praktijk te brengen.

mesjek

©Amiad Ilsar.

Kleren maken de man…vrouw.

Ook vandaag staat er weer bloemschikken op het programma. Samen met de hulp van een vrijwilligster verzamel ik onze bloemen van vandaag, acht bewoners zullen deelnemen. Voor allen heb ik bij de bloemenkiosk de keuze gemaakt van 5 bloemen en een bos groen blad. Het is nu zo meteen de taak van elke deelnemer om voor de tweede keer op de nieuwe locatie beneden in de eetzaal, zijn eigen bloemen te knippen en te steken, al dan niet met hulp.

We begeven ons naar de derde verdieping. Op deze verdieping bevinden zich drie bewoners, die zelf nog hebben kunnen aangegeven mee te willen doen. Op een lager gelegen verdieping zijn nog een aantal bewoners, die enthousiast worden van het zien van bloemen en waar wij dan als begeleiders de beslissing hebben genomen dat zij ook meedoen. In de eerste kamer die wij binnengaan, bevindt zich een vrouw, die in een rolstoel zit. Mevrouw lijkt verbaasd en verward te zijn bij het zien van ons tweeën. Ze lijkt echter snel ons te vertrouwen en rolt zelf haar stoel tot de deur. De vrijwilligster neemt haar over en neemt haar mee met de lift naar beneden. Ik loop vervolgens naar de kamer van haar buurvrouw. Als ik deze binnen ga na een ferme klop op de deur ( die ze waarschijnlijk niet hoort omdat mevrouw heel doof is) zie ik in eerste instantie niemand. Rechts van het halletje staat de toiletdeur open. Het licht is aan. Het felle licht geeft zicht op een bijzondere toiletruimte. Ik heb geen idee waarom, maar deze ruimte is behalve gevuld met de standaard wc pot en wastafel met een kledingrek. Het kledingrek is vol met kledingstukken en verhuisdozen, waardoor er maar weinig ruimte lijkt te zijn voor het werkelijke doel van deze kamer. Als ik om de hoek kijk, zie ik een lege pot, in dit huis is geen enkele relatie tussen werkende verlichting, televisie, radiotoestellen en de aanwezigheid van de kamerbewoner, Bep( i.v.m. de privacy is dit natuurlijk niet haar echte naam) is nergens te bekennen. Ik roep, ’Bep’, maar er volgt geen antwoord. In de stilte na mijn aanroep realiseer ik mij dat de kans dat Bep mij gehoord heeft nihil is. Waar is Bep? Als ik verder naar binnen loop en de deur tussen de hal en de woonkamer open, zie ik haar zitten in de linkerhoek van de kamer. In een hoge leunstoel zit ze te slapen. Slapende ouderen kom ik vaak tegen in de vele kamers en ruimten van het verzorgingshuis. Er volgt een dilemma. Wat is wijsheid? Maak ik iemand wakker, die je meestal ontkent dat hij of zij zat te slapen? Of laat ik iemand slapen en ontneem ik hem of haar de kans om mee te doen aan een activiteit, waarvan de meeste maar eenmaal per week plaatsvinden? In bijna alle gevallen reageerde tot nu toe de betrokkenen positief op het wekken en daarom besluit ik om Bep wakker te maken. Met helblauwe ogen, die niet schuil gaan achter brilglazen, kijkt zij mij aan. Ik buk mij naar haar linkeroor ( zonder dat ik weet of zij mij via het aanwezige gehoorapparaat kan horen) en schreeuw bijna. ‘Ik kom u halen voor bloemschikken’. ‘Leuk dat wil ik, maar ik wacht nog even op de zuster’. Dit antwoord van Bep bevestigt twee dingen. Ik heb er goed aan gedaan Bep wakker te maken en zij heeft mij gehoord. ‘Ik ga even naar de zuster’, schreeuw ik na het succes van de eerste keer in haar oor. Ik loop naar de zusterpost, enkele deuren verderop op de gang. Hier wordt de klop op de halfgeopende deur wel gehoord en een zes paar donkere ogen kijken mij aan. Niet alleen de ogen zijn donker, maar ook hun huidskleur en ik realiseer mij dat de historie gewoon verder gaat. De witte Bep, gezeten in haar comfortabele stoel, wordt verzorgd door de donkere zusters. ‘Ik wil Bep meenemen naar het bloemschikken, maar ze vertelt mij dat ze nog op een zuster wacht. Klopt dat?’ Na een snelle blikwisseling tussen de vrouwen gekleed in de blauwe en witte jasjes vertelt een van hen mij dat mevrouw klaar is.

Klaar wil in dit geval nog niet zeggen dat ik nu mevrouw meteen mee naar beneden kan. Als ik terug bij Bep ben en ik haar vertel dat zij klaar is. ‘Maar dit past niet’. Bijna huilend geeft zij mij aan dat het op de rollator klaarliggende jasje niet past bij haar rok. De verschillende motieven komen inderdaad niet bij elkaar overeen. Dat zie ik zelfs. Ja wat nu? Nadat ik Bep heb gevraagd of ze heeft geplast en haar vervolgens heb overgeplaatst naar de rolstoel meld zij mij dit. Inmiddels zijn enkele dikke vijf minuten verlopen en zo meteen wacht de vrijwilligster met een aantal door haar verzamelde dames beneden. Ik kan geen contact leggen met mijn vrijwilligster. In dit huis is de communicatie gebaseerd op draagbare telefoons en die heeft zij niet. Het antwoord op de vraag is duidelijk voor mij. Ik moet Bep helpen een andere outfit te regelen. ‘Kom dan gaan we wat anders uitzoeken’. Ik rij haar naar de kledingkast. De mogelijkheid van Bep om zelf uit de vele in de kast hangende kleren het passende jasje te kiezen is op dit moment in ieder geval niet aanwezig. Roerloos zit ze voor de kast net als ik klaarblijkend overwelmd door de massa kleren. Nu ben ik niet de aangewezen persoon om snel passende setjes te kunnen kiezen. De massa gekleurde stoffen, die eigenlijk allemaal ook nog een motief hebben maken het mij moeilijk om snel iets passends te zien. Ik zoek een effen stof. Deze is echter niet te zien. Het kledingrek in het toilet ben ik op dit moment allang weer vergeten. ‘ik zie niets Bep’, schreeuw ik nu in haar rechteroor, terwijl ik koortsachtig naar een oplossing zoek. De oplossing komt van Bep zelf. Daar is nog een kast en ze wijst naar links. Inderdaad aan de andere muur naast de brede doorgang van woon naar slaapkamer staat nog een kast. Een exact gelijke kast. Als ik deze kast open, zie ik gelukkig een donker gekleurd jasje. ’Yes’. ‘Ik heb hier een passend jasje, Bep’. Bep gelooft het nog niet en kijkt nauwkeurig naar haar rok. ‘Zal ik die rok dan maar aan doen?’ Nu gaat het alles toch weer op een ander spoor. De tijd verstrijkt en beneden zullen ze niet blij zijn, nu ik Bep peen andere rok moet gaan aan doen. Wie een mens redt, redt een hele wereld, dus adem ik nog maar even diep. Even later zit mevrouw met enige hulp in haar nieuwe outfit. Nu kunnen we naar beneden. ‘Mijn haar’. Zegt Bep als ik enkele centimeters van de deur ben. Even uitademen en ik loop naar de badkamer.

Als Bep beneden met gekamde haren is, manoeuvreer ik haar naast de andere dames, die met hun allen zitten te wachten. De bloemen zijn inmiddels verdeeld en liggen op elke plek. Bep is opgebloeid in de door haar zelf uitgekozen kleren en als ik me voorover buk om haar de bloemen aan te reiken geeft ze mij een zoen op mijn wang.

©Amiad Ilsar.

 

Ik moet plassen

Ik loop via het verlaten trappenhuis naar de kamer van mevrouw op de derde verdieping. Dit volgens mij in de eerder op de ochtend gemaakte afspraak met de verantwoordelijke zusters van de zorg. De wit geverfde houten deur is half open. Ik klop en loop zonder dat ik een antwoord krijg naar binnen. Mevrouw, voor dit verhaal gekroond met de naam Bep, zit in een hoge beige leunstoel gekleed in een donker blauw mantelpakje. Haar haar is hoog opgekapt en de zilvergrijze haren geven haar een statige verschijning. Voor haar staat een rollator in handbereik. ‘Bep, Komt u met mij mee naar het bloemschikken?’ Bep kijkt mij zwijgend aan. ‘Komt u met mee naar het bloemschikken?’. Bep kijkt mij nog steeds met haar heldere blauwe ogen nietszeggend aan. Ogen die niet achter brillenglazen verstopt gaan. Een bijzonderheid in het huis. Het lijkt mij dat ze me niet heeft gehoord. Ineens moet ik denken aan de woorden van mijn collega. ‘Mevrouw is stokdoof’. Ik loop naar toe en buk mij naar haar linkeroor. In dit oor schreeuw ik bijna mijn vraag.

‘ik kan niet lopen’, is haar antwoord. Omdat haar rollator voor haar staat reageer ik verder niet en help ik haar omhoog. Maar na een paar passen herhaalt ze de mededeling dat ze niet kan lopen. Ik haal de rolstoel op de gang en manoeuvreer deze in de nauwe kamer achter haar waarna ik haar voorzichtig laat zakken in de rolstoel. Rollator aan de kant en naar buiten. Ik duw haar naar de buurvrouw. Deze gaat ook mee naar het bloemschikken op een verdieping lager. Oeps. Buurvrouw zit ook in een rolstoel. En nu? Hoe kom ik met de beiden dames de galerij over waar aan het eind een derde vrouw, lopende met een stok, op mij bij de lift zit te wachten? De tweede mevrouw, die ook doof is( worden ze hier op de afdeling naar hun gehoorbeperking opgenomen) kan zelfstandig haar rolstoel een eind voortbewegen. Daarom laat ik deze mevrouw met haar bruin gekrulde pruik achter ons aanrijden. Ze houdt het echter niet lang uit. Gevolg daarvan is dat ik mij even later in een spagaat bevindt. Ik loop tussen twee rolstoelen. De voorste duwen en de achterste trekken. Deze methode werkt voor de enkele tientallen meters die ons nog restten tot de lift. Onderweg pikken we de vrouw met de wandelstok pikken op en komen wij bij de lift aan. Ik druk op de knop. De knop met een pijl die naar beneden wijst. Vier mensen kijken naar dichte liftdeuren. Niet lang. De zin, ‘ik moet plassen’, maakt een onverwacht einde aan de wachttijd. Bep, die ik voor enige minuten met enige moeite in de rolstoel heb gekregen heeft met haar drie woorden zin mij voor een nieuwe uitdaging gesteld. De wachttijd voor de naderende lift daalt en daarmee loopt de stress op. Ik moet snel een antwoord op de nieuwe situatie formuleren. Ik heb twee keuzes. Ik laat de mensen hier voor de lift wachten en breng mevrouw naar het toilet op haar kamer. Of ik laat mevrouw hier wachten en ga met het gezelschap van de twee overige dames naar beneden. Ik kies onder druk van mevrouw die elke 5 seconden haar vraag herhaalt, voor het eerste. ‘Ik kom zo, dames, even Bep naar haar kamer brengen’. Deze zin uitgesproken te hebben, duw ik Bep naar haar kamer en laat ik twee vrouwen achter bij de nog steeds gesloten liftdeuren.

Ik duw de rolstoel van mevrouw terug naar de kamer en help haar naar de toiletruimte naast haar kamer. Ik neem aan dat ik haar zo kan achterlaten en dat ze de rest zelfstandig kan. Bep woont zelfstandig in deze kamer, daarmee is gezegd dat ze betrekkelijk weinig hulp nodig zou moeten hebben en dat zij zelfstandig kan toiletteren. Ik loop snel terug naar de lift. Het liefst zou ik even rennen, maar rennende personeelsleden zouden op noodgevallen kunnen wijzen, dus dat doe ik maar niet.

Ik stap de hal van de lift in. Ik zie in een oogopslag een mevrouw in een rolstoel. Verder zit er een vrouw in een rieten hoge leunstoel, die de richting van de lift op kijkt. Ik probeer te bevatten wat ik zie. Een vrouw in een rolstoel. Geen vrouw met donkerblauw vestje, zwarte rok en wandelstok. De grote verdwijntruc heeft zich voltrokken. ‘Ze is met de lift’, ondertitelt een vrouw in de rietenstoel mijn ongeloof. Opnieuw gaat mijn hand naar de lift knop. Na minder dan een minuut gaan de deuren open. Een arbeider in werkkleding kijkt mij aan. Naast hem staat een vrouw. Een vrouw met een wandelstok.

© Amiad Ilsar.