Categorie archief: volwassen

Oude en nieuwe werelden

Het verhaal van Max gaat verder. Max ontwikkelt zich nog steeds. 35 jaar oud en zwaar verstandelijk beperkt en ondanks dat blijft de ontwikkeling doorgaan. Vele zaken heeft hij geleerd sinds ik hem drie jaar geleden heb leren kennen. Drie jaar geleden, drie woorden die een tijdspad weergeven, waarin de opgetreden persoonlijke verandering enorm is geweest. Max van toen is niet meer. Max van toen is vervangen door een huidige Max die misschien weer een voorloper van de toekomstige Max is.

Max is vandaag weer gekleed in het traditionele Max tenue dat bestaat uit een spijkerbroek. Een spijkerbroek, die nauwelijks door de smalle taille van Max wordt tegengehouden en door de zwaartekracht richting aarde wordt getrokken. Boven de spijkerbroek een goedkoop wit T-shirt. Deze heeft Max vandaag nog ongeschonden gelaten, het komt vaak voor dat hij zijn shirt scheurt. Max heeft het T-shirt niet geschonden, het heeft zonder een enkele scheur de dag tot nu toe overleefd. Over het witte t-shirt een bodywarmer, een jas zonder mouwen. Vandaag is het ondanks het feit dat het ver in oktober is nog zo warm, dat ik Max niet zijn overjas laat aandoen.

We gaan samen glas en papier weggooien. Papier en glas dat op het dagcentrum waar Max al ruim vijf jaar zijn dag doorbrengt, gescheiden wordt verzameld. Max bevindt zich nu na lunchtijd. In een lokaal waar hij met nog zeven anderen bewoners door twee collega’s van mij een dagprogramma krijgt aangeboden. In de jaren is Max steeds meer gaan communiceren en de begeleidster, een levendige moderne jonge vrouw van in de twintig vertelt mij vandaag met een voor haar zo kenmerkend enthousiasme, hoe Max haar uitlegde dat de twee lege potten sandwichspread voor ons bewaard moeten blijven. Hij riep de begeleidster bij haar naam, toen hij zag dat bij deze twee potten de bodem zichtbaar werd en riep: ‘Ami’. De begeleidster kijkt me met fonkelende groenbruine ogen aan en vertelt me. ’ ik begreep hem niet. Hij maakte een stop gebaar en wees mij naar de potten die op het aanrecht stonden en zei voor een tweede keer Ami. Hij wou mij wat vertellen en legde mij uit wat hij bedoelde, hij wees naar de potten, die op het aanrecht stonden en noemde nogmaals jouw naam. Hij ging door totdat hij mij had uitgelegd dat hij met jou die potten wou weggooien’.

Het verhaal van de enthousiaste begeleidster is te verklaren ut het feit dat de oude Max, niet communiceerde. De enige pogingen die hij ooit ondernam om enige communicatie in gang te zetten was een “hoi’ of ‘huis’, te roepen terwijl hij in zichzelf gekeerd door de wereld liep. Hij zag iedereen en iedereen zag hem maar een ondoordringbare muur stond tussen hem en de wereld in. Deze muur heeft op dit moment velen poorten, die Max zo nu en dan zelfstandig weet te sluiten. Dat is een wezenlijk verschil met vroeger toen de muur een totaal dichte barrière leek te zijn, waar zowel Max als de mensen in de omgeving niet eens op de gedachten kwamen om een poort in het steen te hakken.

Vandaag staan de poorten open en loop ik met hem met de winkelwagen, die hij met papier en glas gevuld heeft naar de glas en papierbak. In de winkelwagen zitten ook de twee potten, die hij zo graag wou meenemen en die hij op het moment dat ik hem kwam halen op het aanrecht liet staan. ‘ Vergeet je niets op het aanrecht’, sprak ik, terwijl ik bewust geen enkel gebaar maakte, zodat hij geen visuele informatie kreeg. Het bewijs dat Max ondanks zijn beperking veel taal begrijpt werd weer geleverd, toen hij zich omdraaide en recht op de potten afstevende. Deze stopte hij in het boodschappenwagentje, die hij eerder vanuit de hoek van het lokaal had gepakt. Vervolgens liep hij naar een kamer aan de overzijde van de gang waar een grote brommende printer met grote snelheid gekleurde en zwart witte bladen uitspuugt. In de hoek tegenover dit drukmonster, staan twee blauwe bakken met papier en glas. Hij vulde zelfstandig een deel van zijn kar en zo gingen wij op weg.

Lachend lopend hij naast mij terwijl hij de boodschappenkar voorttrekt. Hij boert zo nu en dan en kijkt lachend naar mij. Ik sluit aan bij zijn vrolijkheid, lach naar hem en geef hem een schouderklop.’Au’, is zijn antwoord. Deze uitroep van pijn, lijkt voor mij een echt gemeende uiting van lichamelijk ongemak. Max is een zintuiglijk gevoelige man en wat voor een gemiddelde persoon een zachte aanraking kan zijn, is voor hem een pijnlijke contactname. Behalve voor aanraking is Max ook gevoelig voor visuele prikkelingen. Hij ziet ondanks zijn bijziendheid goed in de verte. Hij is gefocust op bewegingen in zijn omgevingen. Mensen en auto’s het krijgt allemaal zijn aandacht. De oude Max van weleer zou die mensen zeker ook hebben gezien, maar hij reageerde niet op hem. Hij wist niet dat deze mensen, die hij zag aan de andere kant van de muur, via een poort te bereikend waren. Maar ook de mensen op hun beurt lieten de poort gesloten. Waarom contact maken met een lange, magere man, ook binnenshuis gekleed met zijn bodywarmer, die met wiebelende passen door het leven liep en zo nu en dan het woordje ‘huis’ uitriep. Er was geen contact, daar leek Max en de wereld geen behoefte aan te hebben.

De Max van vandaag groet onderweg een ieder, die wij tegenkomen, met een ‘hallo’. Hij vraagt de passanten of zij naar huis gaan, oudere mensen worden oma benoemd en kinderen als baby. Als iemand een tas draagt wordt dit door Max opgemerkt en benoemd als ‘tas’.

Nadat Max bijna helemaal zelfstandig keurig glas in de glasbak en papier in de papierbak heeft gegooid, loopt Max naar de overkant. Richting het geelbruine gebouw van een middelbare school. De kinderen, die om deze tijd met veel rumoer de school verlaten, trekken elke week zijn aandacht en vandaag zet de eerste stappen richting een nieuwe wereld.

Max kijkt bij de kinderen, die in een afgesloten vierkante ruimte op het schoolplein omgeven met hekken, met daarop, verboden toegang aan het voetballen zijn. Ik denk dat als deze kinderen van een jaar of dertien, veertien, jongens en meisjes van vooral Afrikaanse afkomst hem zouden uitnodigen, dan zou hij zo de gekaderde ruimte betreden.

Ik loop met Max verder en dan lopen we langs afgeplakte ruiten. Een ondoorzichtig plastic scherm verhindert om vanaf de straatzijnde naar de ruimte achter het raam te kijken. Maar Max is met zijn lengte geen doorsnee persoon en hij kan met weinig moeite over deze afscheiding naar de kinderen aan de andere kant van de afscheiding kijken en dat doet hij met veel plezier. Het blijft vandaag nog even bij kijken alleen.

Geen kennismaking, maar wel een poging tot het verleggen van grenzen naar een nieuwe wereld. Een toekomst ligt open.

©Amiad Ilsar.

 

Advertenties

Papier en glasrecycling

Het recyclen van papier gaat verder dan alleen het verhaal van het kleine mannetje. Het strekt zich verder uit. Het terug geven van grondstoffen aan de natuur, de wereld waarin we leven, is voor mij een doel op zichzelf.  Als jonge jongen verzamelde ik met mijn vader het oude papier, dat door buurtbewoners gescheiden werd aangeboden. Naast de plastic grijze zakken, die toen een nieuw verschijnsel waren in het straatbeeld, eerder werd gebruikt gemaakt van zinken vuilnisemmers, lagen aan de stoepkant kranten en tijdschriften.  Mijn vader verzamelde al dat oud papier, bond het in pakketten  verzamelde het in kartonnen dozen en eens in de maand reden wij naar een loods in het centrum van de stad en kregen uit door het kranteninkt zwart geworden vingers van de eigenaar enkel zilverkleurige muntstukken. Deze spaarde mijn vader dan op voor extra uitstapjes en of cadeau’s . Mede door deze ervaringen uit mijn jeugd keer ik vaak naar huis terug met in mijn rugtas, getuigenissen van papier van de daden van mijn collega’s.  Ik ben gefocused op papierafval en Ik haal regelmatig in stilte papier uit de kleine afvalbakken naast de verschillende werkplekken.  Dit papier werp ik dan in de blauwe papiercontainer, die naast de blauwe plastic verzamelbak en de groene gecombineerde rest en gft afval container  in onze tuin staan.

Het papierafval op het dagactiviteitencentrum in de instelling waar Max zijn dagen doorbrengt wordt verzameld in een toeval of niet blauwen bak. Deze staat in een hoek in een van de kantoorruimtes  Het papier daarvan wordt door de bewoners en hun begeleiders in de daartoe bestemde afvalcontainers, die  in de buurt van de instelling  op verschillende plekken staan opgesteld.

Max weet inmiddels de weg naar de betreffende containers. Met een door hem zelf gevuld boodschappenwagentje vol papier en glaswerk zet hij koers naar de bestemming. Hij loopt vanuit het lokaal op de eerste verdieping de trap af, daarbij tilt hij het boodschappenwagentje omhoog zodat deze niet de treden aanraakt. Hij denkt niet om de lift te nemen. Ik heb in dit kader ok geen behoefte om hem op deze mogelijkheid te wijzen. Max is een jonge sterke man, die best  het gewicht van dit boodschappenkarretje  kan dragen. Het is ook een moment waarin Max laat zien dat hij problemen kan oplossen.

Max heeft de elektronische druppel en een sleutel, die ik hem gegeven heb in zijn linkerbroekzak gestopt. Als we bij de toegangsdeur komen pakt hij deze uit zijn broekzak, negeert de picto wandelen die bij de deur hangt en opent de deur.Ik ben blij dat hij dit negeert, aangezien hij nu in een proces zit waarin het duidelijk meot zijn dat ik net met hem wandel, maar werk. Het doel is het scheiden van het afval, het middel is een wandeling. De deur wordt door hem geopend en hij sluit hem netjes. Nu staan we in de tuin van dit woon en dagcomplex.

Na het nemen van deze eerste hindernis volgt de volgende hindernis het ijzeren toegangshek . Max houdt de druppel voor het elektronische oog. Een zacht gezoem geeft aan dat er een contact is gemaakt. Max staat enkele seconden onbewogen en geeft vervolgens de sleutel aan mij. Als hij zich omdraait naar het ijzeren hek reageert dit niet op het getrek van Max. ’Nee’, zegt hij. Ik geef hem zwijgzaam de sleutels terug en ditmaal opent hij het hek. Ik help hem nu door het hek open te houden n Max wil de druppel en sleutel in een van zijn zakken van zijn grijze bodywarmer stoppen. Hij worstelt met het klepje boven dit zakje. Het lukt hem niet om deze op te tillen en de sleutel in de zak te laten glijden. Hij kiest er daarom voor om de zak van zijn vale roze broek op te zoeken. Nu lukt de poging en met een sleutel op zak vervolgen we onze weg naar ons doel, de containers.

Max groet onderweg een aantal fietsers met een ‘hallo’. De fietsers groeten hem beleefd terug. Heel even twijfel ik, moet ik ingrijpen?  Een aantal weken geleden had ik de menig dat Max niet zomaar iedereen op straat hoeft te groeten. Dat doen wij, de ‘normale’ mens ook niet. Maar waarom zouden wij elkaar niet mogen groeten? Kunnen wij hier iets iets van Max leren? Wat is er mis om elkaar te groeten? Het antwoord op deze vragen is duidelijk. Ga je gang Max.

Max ziet een geparkeerde witte Renault Twingo. ‘Ami’, zegt hij. Met deze uitspraak begrijp ik dat hij ook de vorm van mijn auto onderscheid en niet alleen de grijze kleur van mijn Renault Twingo waarneemt. Tot vandaag hoorde ik hem bij elke grijze auto, Ami, zeggen.

Bij de containers aangekomen stopt Max bij de glascontainer. Hij kijkt rond, naar de rondrijdende auto’s, naar de middelbare school aan de overkant, naar de geparkeerde auto’s, de voorbij fietsende fietsers, die hij nu niet groet. Vervolgens zet hij zijn tengere lange lijf in beweging en haalt hij een glazen potje uit de boodschappenkar en mikt hij hem dor het daarvoor bestemde gat van de container. Een voor een geconcentreerd pakt hij zelfstandig, ondanks de vele prikkels in onze naaste omgeving, de overige glazen potjes. Als er een deksel opzit schroeft hij die eraf en legt hij de deze op de container. Dit heb ik hem ooit geleerd en nu doet Max dit zelfstandig. Als het glaswerk op lijkt te zijn, ik kan dit niet zien vanaf de enkele meters afstand,wordt het spannend. Gaat Max het papier in de glascontainer proberen te gooien of zet hij enkele stappen naar rechts om het papier door een gleuf in de daarvoor bestemde papiercontainer te gooien. Wat gaat hij doen?

Max buigt zich voorover pakte met zijn brede lange knokkelige vingers een stuk karton. Hij draait zich in de richting van de glascontainer  Hij twijfelt, staat stil, enkele seconden, nog enkele seconden, hij komt in beweging. Hij beweegt zich in de richting van de glascontainer. Dus weer de verkeerde container bedenk ik me. Ook vandaag zal hij mijn hulp nog nodig hebben om de juiste container te vinden. Max selecteer het glas en papier. Eerst al het glas en dan al het papier. Echter hij weet de juiste container nog niet zonder hulp te vinden. Maar dan ineens stopt hij, kijkt geconcentreerd naar de glascontainer. Hij kijkt en kijkt, de seconden tikken weg. Hij beweegt opnieuw nu echter beweegt hij zich met zijn lange benen naar rechts. Ik loop in zijn kielzog mee en help hem een handje door de metalen klep van de gleuf , die toegang geeft tot de ondergrondse papierverzameling open te houden. Ik ben blij. Heel blij, na enkele maanden oefenen, week na week, is het doel bereikt, Max heeft zelfstandig papier en glas weten te scheiden.

‘Huis’, vraagt Max als hij klaar is met zijn vandaag zo bijzonder succesvol afgeronde taak. ‘Ja, we gaan naar huis’. Deel ik Max mede.

©Amiad Ilsar.

In de voetstappen van je cliënt

Het verslag van een uitstap naar de glas en papierbak met mijn cliënt

De gang naar de glas en papierbak is inmiddels een vast programma onderdeel in onze ontmoeting. Ook vandaag is het weer zover. Ik vraag aan Max om de boodschappenkar te pakken. ‘Helpen ik’, vraagt hij mij. ‘Ja, jij helpt mij’, antwoord ik hem bevestigend. ‘We gaan papier en glas weggooien’.
We lopen naar de kamer tegenover het lokaal waar Max dagbesteding krijgt en vullen de kar met wat karton en een aantal potten en flessen, dat in de hoek van de kamer naast de deur speciaal voor dit doel wordt bewaard.
Om nu het gebouw te verlaten, kunnen we twee wegen volgen. Of via de binnentrap of via de buitentrap. Op dit punt geef ik de controle aan Max. Kies maar je eigen lijk ik in stilte te zeggen als ik een stap naar achteren zet en Max de ruimte geef. Max neemt deze ruimte en hij loopt naar de toegangsdeur van de eerste verdieping. Deze deur leidt naar een balustrade. Om deze te verlaten kun je de buitentrap afdalen. Max kiest voor deze mogelijkheid en daalt meteen de trap af.

Ik geef hem bewust deze keuze. Max is naar mijn gevoel goed in staat ondanks zijn verstandelijke beperking om zelf te bepalen welke weg er genomen kan worden. Je leven zelfstandig kleur geven is een groot goed en een doel op zichzelf in onze ontmoetingen.
Eenmaal in de binnentuin aangekomen zijn er ook weer mogelijkheden en zal Max keuzes moeten maken. Hij kan het ijzeren hek aan de linkerkant of het ijzeren hek aan de rechterkant nemen om de instelling te verlaten. Hoe dan ook heeft hij een elektronische druppel nodig om het hek aan welke dan ook te openen. Ik overhandig hem mijn bos sleutels.

Max kiest ervoor om links de binnentuin te gaan verlaten. Ik loop achter hem aan door de tuin, die op dit moment, ondanks de relatief koele periode van dit jaar, de wereld weer met kleur begroet.
Bij het hek aangekomen houdt Max de sleutelbos voor het elektronische oog. Geen gezoem. Max probeert het nogmaals, vervangt de bonuskaart van de supermarkt, voor een kleine zaklantaarn, die te gebruiken is om in de winter een slot te belichten. Logischerwijs blijft ook nu het gezoem uit. Hij blijft het bijna wanhopig toch proberen om het juiste voorwerp voor het oog te houden. Hij kijkt mij aan, ‘helpen’. Ik ga zijn vraag niet negeren. Max legde goede relaties, zo hield hij bijvoorbeeld geen sleutel voor het oog, maar tussen de wirwar van sleutels kon hij de relatief kleine zwarte druppelvormige kaartje niet vinden. Hij kan nog niet systematisch tussen de sleutels zoeken. Mede door zijn slechte zicht is het misschien ook voor hem onmogelijk. Ik pak de sleutelbos uit zijn uitgestoken hand en retourneer de bos aan de druppel. Nu lukt Max om het hek te ontsluiten. Maar dan volgt de volgende barrière. Van het elektronische oog naar het hek zit een meter of drie. Max blijft staan als hij het gezoem hoort, 5,10 misschien 15 seconden gaan voorbij totdat hij de eerste stappen richting de deur zet. Nog enkele tientallen seconden totdat hij bij het hek is. Hij rukt aan het hek, duwt en trekt, het lukt niet het hek blijft dicht.
Heel even moet ik denken aan een filmpje waarin twee bejaarden met hun rollators bij twee liftdeuren ziet staan. Al pratende kiezen om naar de rechterdeur te gaan. Maar dan gaat juist de linkerdeur open. Schuifelend met hun rollators lopen ze naar de linkerdeur. Maar ondertussen sluiten de deuren zich en staan ze weer voor gesloten deuren. Ze blijven nu bij de linkerdeur staan en het laat zich raden dat dan na enkele seconden de rechterdeur zich opent, waarna ze zich opnieuw in beweging zetten, echter ook ditmaal worden ze ingehaald door de techniek. Uiteindelijk wachten de dames tussen de liften en reageren ze adequaat op het moment dat de liftdeuren zich openen en stappen ze in de lift.

Het hek is nog gesloten. Max staat voor een gesloten hek. Hij zoekt oogcontact met mij. Met zijn bruine ogen lijkt hij de vraag te stellen wat nu. Ik benoem zijn getoonde emotie. ‘Ja, wat nu Max’, vraag ik hem. Hij brengt de zwarte druppel opnieuw voor het elektronische oog. Om hem een eindje op weg te helpen, maak ik nu het hek voor hem open. Hij loopt met het boodschappenkarretje voor me langs op weg naar ons doel de glas en papierbak. Hij neemt de goede weg en loopt richting de grote flats met tien verdiepingen waaronder de containers zijn geplaatst. Aangekomen bij een aantal restafvalcontainers van de flat, die met hun grijze kleur en vorm sterke vergelijking vertonen met de iets verder geplaatste bakken, blijft Max even staan.
“Moeten we hier zijn, Max?’
De vraag zet hem aan om verder te lopen nadat hij met een ferm, ‘nee’, niet alleen deze mogelijkheid heeft verworpen, maar ook met een handgebaar in de goede richting heeft aangegeven waar de oplossing ligt. Iets verder bij het eind van de parkeerplaats.
Daar aangekomen heeft Max veel aandacht voor de omgeving, ‘kijk’, zegt hij en hij wijst naar een schoolcomplex aan de overkant van de straat. Wat hij precies hiermee wil, is mij niet duidelijk. Ik richt hem met een, ‘ wat nu’, op zijn taak.
Max pakt een stuk karton en loopt op het ronde gat van de glasbak af. Hij probeert met alle macht het karton erin te duwen. ‘Past dit’, vraag ik hem. Hij wendt zijn gezicht naar mij. Hij blijft het proberen. Het onmogelijke waar maken. Maar hier bij de glasbak lukt het niet.

‘Kijk’, en ik wijs hem naar de papierbak, die enkele meters van ons vandaan boven de grond verrijst. Nu loopt Max met enkele passen van zijn lange benen en grote voeten nar de andere bak.
‘Au’, zegt hij als hij naar de zilvergrijze klep wijst, die moet voorkomen dat er ongewenste voorwerpen hun weg naar de ondergrondse verzamelbak vinden. Ik duw de klep omhoog en Max duwt het karton in de bak. Nu hij hier de weg naar deze bak gevonden heeft verdwijnt al het in het boodschappenkarretje aanwezige karton in de bak. Nadat ook de glazen potten en flessen in de glasbak zijn gegooid, lopen we terug naar de inrichting.
Als ik achter Max terug naar de instelling aanloop, word ik verrast.

Max benoemt de vele grijze auto’s die op de parkeerplaats van de grote flat staan, als ‘Ami’.
Inderdaad is de kleur hetzelfde. Bedoeld hij, dit zijn grijze auto’s, net als die van jou, of bedoeld hij dat de auto’s van hetzelfde merk zijn. Ik weet het antwoord hierop niet. Samen lopen we verder. In de schaduw van zijn voetstappen loop ik met hem terug. Max bepaald de weg.

© Amiad Ilsar

Scherven brengen geluk

Een verhaal over recycling, een glasbak en een verkregen vrijheid.

Ik loop door het ijzeren hek de straat op.

Ik ben niet alleen. Max loopt naast me, een glimlach op zijn getekende gezicht. Gebukt, vanwege zijn tengere, lange lijf, trekt hij als een bejaarde man een oud geruite boodschappenkar met zich mee. Wat we nu gaan doen staat nergens beschreven. Ook niet in de nieuwe doelen van de begeleiding van Max. Ik waag me weer eens buiten de aangegeven kaders.
De doelen van onze begeleiding, het zelfstandig inruimen van de vaat, de kleding in de kledingkast opbergen en het gordijn openen ze zijn behaald. Eigenlijk al een tijd. Maar Max moet wel de gelegenheid krijgen om de vaardigheden die hij beheerst te kunnen uitvoeren. Ik wou die zekerheid krijgen en heb gewacht tot het evaluatiegesprek  In het evaluatiegesprek dat onlangs met de persoonlijke begeleider en de gedragsdeskundige is gehouden, is afgesproken dat Max de gelegenheid gaat krijgen om de eenvoudige taakjes uit te voeren . Nu kan ik met gerust hart met Max nieuwe gebieden gaan ontginnen. Het gebied van de recycling.  Dit gebied staat echter nog nergens beschreven. We gaan recyclen, in het karretje zit papier, karton en glas.

Ik heb geen flauw idee waar we ons afval, lees grondstof, kunnen deponeren

De weg naar de afvalcontainers is me uitgelegd, door de jonge enthousiaste begeleidster van het dagactiviteitencentrum, met haar groenbruine ogen keek ze mij vragend aan. Of ik haar uitleg begrepen had. Nee, ik had niet echt het idee dat ik het begreep, nog een keer dan. We moesten de brug over, daarna rechts en bij het speelterrein wat ze aan het afbreken zijn links af. We konden dan voor of achter het grote flatgebouw langs. Op die manier liepen we op dan zo op het gezondheidscentrum af. Daar staan de containers.
Op deze manier zijn wij totaal onverwacht op straat terecht gekomen. Het doel van een activiteit tussen vier muren is veranderd in een voettocht van enkele minuten. Het nieuwe doel is een systeem van recycling, waarbij wij, de mens, als grondstof verslindend monster met enige moeite weer wat grondstoffen aan moeder aarde terug geven. Daarmee hopen dat de komende generaties ook nog een leven op deze aardbol kunnen hebben. De glasbak, een systeem waarbij onze overheid met veel succes een beroep op onze vrijwillige inzet heeft gedaan en nog steeds doet om glas een nieuw leven te geven, zonder dat de overheid dit glas bij ons komt ophalen. Ook statiegeld is niet nodig. Wij zijn welopgevoede, doordachte en milieubewuste burgers, die met veel plezier onze onderliggende kwaadaardige krachten met het geluid van brekend glas doen laten verdwijnen. Om de rust van de buurtbewoners niet te verstoren, staan er op vele containers het verzoek om alleen tijdens de daguren het glas te deponeren.

De eerste glasbak werd

volgens de gegevens van de internet encyclopedie Wikipedia in 1972 in Zeist geplaatst. Het was een initiatief van twee huisvrouwen. Het waren zij de dames Kuiper en Riemens die samen met glasproducenten de glasbak ontwierpen. Zij vonden zelf een plek voor de containers en beloofde aan de gemeente dat hij alleen overdag zal worden gebruikt en dat zijzelf de omgeving zouden schoonhouden. In ruil daarvoor zou de gemeente de bakken regelmatig legen. Daarvoor betaalden zij een huur van vijf gulden per week. Pas in 1978 werd in ’s Hertogenbosch de eerste officiële glasbak geplaatst. Op dit moment wordt 80 procent van het glas in Nederland ingezameld en omgesmolten voor het gebruik van nieuw glas.

De korte tocht door het park geeft mij de gelegenheid om samen met Max een klein stukje natuur te bewonderen. ‘Kijk’, zeg ik tegen Max als ik met mijn vinger in de richting van de waterkant wijs. ‘Mama’, reageert Max, Max het woord, ‘mama’, doen oproepen. Mijn kennis van planten beperkt zich tot enkele tuinplanten en huiskamerplanten en ik ken de naam van deze plant met de felgekleurde bloemen, die in een groepje in het midden van de plant de wereld verblijden. Met dit ene woord vertelt hij mij waarschijnlijk een heel verhaal, over hoe hij op zondagen met zijn moeder en vader een wandeling maakt.
Links van mij zie ik een plek met zand en stoeptegels, ik begrijp dat dit de speelplek is, die gerenoveerd wordt. Ik vraag aan Max welke kant wij op moeten, hij wijst naar links. We lopen verder, ‘kijk’ en weer zegt hij mama, terwijl hij naar een bank wijst. Hier zou hij wel eens met zijn ouders op de bank kunnen zitten, ik weet het niet en Max kan helaas niet meer zeggen. Vanachter de struiken doemt een gebouw aan de linkerkant aan ons op. Ik vraag me af waar de containers zijn. Voor het gezondheidscentrum staan auto’s en ouderen mensen. Max heeft ze gezien, met een woord beschrijft hij het beeld.’Oma’.

Via oma komen we bij de kleinkinderen terecht.

We ontmoeten een groep jongeren die via een lange hellende ingang op skeelers de straat op komen glijden. Een stoere leraar voorop en jongens en vooral meisjes erachteraan.  De meisjes met de helmen en hun arm en kniebeschermers bevallen Max goed en glimlachend vervolgen wij onze weg. We zijn hier terecht gekomen nadat ik twijfelde welke kant we op moeten, naar de bejaarden of rechtdoor waar tussen het groen ook wat bebouwing zichtbaar is. Of zijn het de containers die verderop rechts bij de flat staan. Ik weet het niet. ‘Waar moeten we naar toe, Max?’ Max wees me naar voren. Maar hier voor een gebouw waar met grote letters Bankrashof sportzaal staat is geen container te vinden.
Dan maar terug, we keren om en lopen naar het gezondheidscentrum. Als we aan de overkant staan wijst Max naar zijn oren en naar zijn mond. Hij herkent de plek en weet wat hier gebeurt. Behalve doktors bevinden zich hier ook containers. Het lijken twee huisjes en ik twijfel sterk of het wel afvalcontainers voor glas of karton zijn. Als we de weg oversteken en om de containers heen lopen zie ik dat er glas op de rechter en papier op de linkercontainer staat.
Ik geef Max eerst een stuk karton uit de wagen, hij begrijpt wat hij moet doen en zonder verdere instructie loopt hij af op de glascontainer. Met vereende krachten probeert hij vervolgens het brede stuk karton door de kleine ronde opening te persen. Het komt nog niet bij hem op, dat dit niet gaat lukken. Met wat hulp gooit hij uiteindelijk al het karton en papier in de container en dan komen we uit bij het glas.

Met uiterste concentratie pakt hij fles voor fles

en gooit hij deze door de enige ronde opening die er is. Hier wordt niet geselecteerd op kleur en alle kleuren glas worden samen verzameld. Op een fles zit een dop. Doppen horen niet in de glasbak, dat levert problemen op bij het recyclingproces. De dop, die ik Max zelf van het potje laat schroeven gaat naar de prullenbak aan de overkant. Precies bij de prullenbak staan twee kerels gehuld in jeans en windjacks. Ik geef hem de deksel. “Ga maar Max ‘, en ik wijs naar de prullenbak. Daar loopt Max de straat over.  Alleen in een wijde wereld. Hier geen beschermde muren, hier geen begeleider, die voor hem loopt. Hier is hij alleen, met zijn tengere lange lijf en ferme wiebelende pas. Ik kijk hem na. Ik ben toeschouwer, ik laat hem los. Los in de wijde wereld. Het gevoel van mijn kind dat de wankelende eerste stappen doet bekruipt me. Daar ga je Max.

© Amiad Ilsar

Brandalarm tijdens een synagogedienst

Een sjabbatdienst, krijgt een bijzonder karakter als er een brandalarm afgaat. Iedereen moet het pand verlaten ook ik en mijn mannen met een verstandelijke beperking.

Het is zaterdagochtend tien over half tien

Ik loop met drie mannen het ziekenhuis in. Drie mannen waar ik de verantwoording over heb. De oudste is 74, de man heeft een bril, klein postuur hij draagt een zwarte hoed. De jongere man heeft een grijze gloed over zijn ooit bruine haar, zijn blauwe ogen fonkelen. Hij loopt met zijn handen op zijn rug een beetje naar voren gebogen. Zijn blauwe sportjack is niet in balans met zijn zwarte broek en sportieve blauw, groen, zwart geruite overhemd en bruin witte uitgaans schoenen. Ik duw een man op een rolstoel, gekleed in het zwart en wit, colbert, overhemd, stropdas en grote zwarte keppel. Wij gaan een bijzondere synagoge bezoeken. Een synagoge in een Amstelveens ziekenhuis. Een synagoge, die ruim dertig jaar werd opgericht als uitvoering van een idee om ook patiënten van Joodse afkomst de gelegenheid te geven bij een gebedsdienst aanwezig te zijn. Misschien is het niet toevallig dat ik met de drie mannen juist deze synagoge bezoek. Deze mannen hebben een verstandelijke en of fysieke beperking.

Het ziekenhuis binnen lopen gaat via de zijdeur. Ik wil de elektrische draaideur op sjabbat niet activeren. De zijdeur zwaait naar binnen open, maar even hard weer terug. Zo snel dat ik onmogelijk met de rolstoel toegang tot het ziekenhuis kan krijgen. Hoe kom ik nu met de rolstoel via deze deur het ziekenhuis binnen?
Daarvoor heb ik hulp nodig. Hulp die ik van de 74 jarige man kan krijgen. Hij loopt voor mij uit, duwt het handvat van de deur omlaag, duwt de deur open en blijft netjes met geopende deur wachten totdat ik met de man op de rolstoel en de man in het blauwe sportjack gepasseerd ben.
De hal van het ziekenhuis is om dit tijdstip bijna kwart voor tien en op deze dag, zaterdag, sjabbat, verlaten. Vanachter de balie kijkt een blonde receptioniste glimlachend toe. Met een goedemorgen lopen we verder, de eveneens verlaten gangen in. Als we rechts richting de synagoge, die niet meer dan een in twee delen gescheiden ruimte is lopen, haal ik twee keppels uit mijn zak. Een voor de man met het blauwe sportjack en een voor mijzelf. De handeling van mijn hoofd bedekken vind altijd in de buurt van een synagoge plaats. Het dragen van een keppel buiten op straat in Nederland geeft mij nooit een goed gevoel.
In deze buurt lijkt mij dat je ongestoord met een keppel kunt rondlopen, maar in mijn woonplaats Almere, kun je dat in sommige buurten en plekken, zeker niet.
Aan het eind van de gang staan twee jonge mannen. Deze mannen, die een rol spelen inde beveiliging van de synagoge, spelen later deze ochtend nog een rol, hoewel ik daar op dit moment geen weet van heb. Met een sjabbat sjalom, groeten wij elkaar.
In de hal voor de zaal die nu op zaterdagochtend als synagoge en morgen zondagochtend als kerkruimte dienst doet, kunnen we onze jassen op een rek vol hangers hangen. Geleerd van gebeurtenissen van vroeger toen ik na afloop van de dienst allerlei jassen moest zoeken, hang ik de door de 74 jarige man opgehangen jas, bij die van mij. De man in de rolstoel heeft alleen een colbert. ‘Doe maar niet uit’, was de boodschap van de energierijke begeleidster van zijn woongroep, toen ik hem vanochtend ophaalde. “Het is een hele toer, om de jas weer aan te krijgen’, ging ze verder. De man is spatisch, hij heeft een verhoogde rustspierspanning waardoor het buigen van zijn ledematen bijna onmogelijk is. Probeer dan maar eens een mouw over of uit zijn arm te krijgen. Dat is een ingewikkelde procedure, waarbij je ervaring en kennis nodig hebt.
Behalve dat de 74 jarige man zijn jas op het rek hangt, verwisselt hij zijn zwarte hoed voor een kleurrijke keppel, die door veel Jemenitische Joden wordt gedragen. De hoed gaat op het rek boven de jas en zijn talles, het gebedskleed, in de talleszak, neemt hij onder zijn arm mee.
Om de zaal binnen te komen moet er weer een deur geopend worden. Mijn mannen lopen naar binnen en de deur zwaait weer dicht. Voor de tweede keer sta ik voor een dichte deur. Ik moet dus de man met de rolstoel even ‘parkeren’, om vervolgens naar de deur lopen, deze openzetten om met de man naar binnen te kunnen rijden. Ik vind een plek aan de zijkant van enkele rijen stoelen, die uitzicht op het centrale gedeelte van de zaal geeft, waar de biema, de verhoging waar de Tora wordt gelezen, staat. Daar zet ik de man in de rolstoel neer en ik ga naast hem zitten. Voor mij zitten de twee mannen die met mij zijn meegekomen en nog twee mannen, waarvan de een mij sterk aan de dunne, van het duo de dikke en de dunne, de acteurs Stan Laurel en Olivier Hardy moet denken. De beiden mannen hebben ook een beperking en wonen in een andere woongroep van dezelfde stichting, die het beheer heeft over mijn mannen. Zij zijn samen met een vrouwelijke bewoonster en een begeleidster, die achter het gesloten gordijn achter ons zitten, naar de synagoge komen lopen. Elke twee weken gebeurt dit. In tegenstelling met mijn aanwezigheid en die van mijn mannen, die een veel minder frequente vorm kent.

Brandalarm

Het gordijn scheidt mannen en vrouwen en wordt alleen geopend als de rabbijn een drasja houdt. Het gordijn gaat ook vandaag weer open. We hebben net de parsja, het wekelijks te lezen deel uit de Tora, gehoord, waarin tegenstanders van Mozes door vuur van de aardbodem worden verwijderd als een jankend geluid van buiten de aandacht van alle aanwezigen trekt. De op en neer gaande tonen geven zonder twijfel een brandalarm aan. Onze Stan Laurel raakt in paniek. Nu wordt het lastig. Hij wil naar de gang, de toegangsdeuren naar van de zaal staan inmiddels open. Hij loopt weer terug, maar draait zich weer om en loopt de zaal uit. Ik volg hem terwijl ik weet dat er ook nog een aantal bewoners binnen zijn. Ik voel me even uit elkaar te worden gescheurd. Ik kan onmogelijk op twee plekken tegelijkertijd zijn. In de gang roep ik naar de op Stan Laurel lijkende man, dat hij hier moet blijven, als hij naar de inmiddels geopende liften loopt. Verplegend personeel van het ziekenhuis rent door de hal naar de eerste verdieping en een van de twee beveiligers deelt ons mede dat wij eruit moeten. Langzaam loopt een groot gedeelte van de mensen de gang in. Ik hoor de woorden, ‘allemaal naar links naar de uitgang’, en zie dat links na de garderobe en de kast waar de gebedenboeken, die geleend kunnen worden  een nooduitgang is. Mensen lopen naar buiten. Het geloei van de sirene gaat onverminderd door. Ik pak de jassen, vraag aan Stan Laurel te wachten en loop naar de rest van mijn mannen. De jassen leg ik op de tafel van de man in de rolstoel en ik loop met alle mannen de sjoel uit, mee met de stroom. Buiten ontmoet ik de begeleidster van de anderen. Daar staan we dan op een parkeerplaats recht tegenover de spoedpost, waar ook bezoekers naar buiten lopen. Op de achtergrond is de sirene van een brandweerauto te horen, dit overstemt het geluid van het brandalarm op de achtergrond. In de eerste minuten controleer ik of al mijn mannen buiten zijn en waar ze zich bevinden. De jassen zijn blijven liggen op het tafelblad van de rolstoel overbodig in de stralen van de zomerzon. De langste sjabbat van het jaar vandaag. Het is een bijzondere ervaring. Mannen, vrouwen en kinderen rabbijnen met hun talliet, gebedskleed, we vangen veel verbaasde blikken van de mensen tegenover ons.
Na een naar schatting tien minuten mogen we weer naar binnen. Het was loos alarm. Iedereen loopt gedwee in een rij door de geopende deur het alarm tegemoet, dat nog onophoudelijk aan het loeien is. Ik neem de man, die op de rolstoel zit over van een sjoelbezoeker, die zich totaal onnodig verontschuldigt dat hij niet uit de voeten komt met de rolstoel. Ikzelf strand bij de drempel van de deur. Een kleine drempel maakt het onmogelijk om eenvoudig het gebouw binnen te komen. De hulp van anderen is nodig om deze hindernis te nemen. Hulp die met veel plezier en overmatig wordt gegeven. Niet alleen nu maar ook de tijd dat we buiten stonden. Hier worden mijn mannen, ondanks hun beperking ook met veel respect behandeld.
Alle eer aan al deze mensen, die ons met veel warmte altijd weer ontvangen, ook op deze bijzondere sjabbat.
Om half een lopen we zoals gepland de deur van het ziekenhuis weer uit. Een nieuwe ervaring rijker.
©  Amiad Ilsar.

Je cliënt wil je kussen, wat doe je dan?

Wat doe je als een jonge vrouw met een ernstige verstandelijke handicap wil kussen? een dilemma uit de praktijk.

Een Franse jongedame

Ze loopt naar mij toe. Maar binnen een grens van 90 centimeter waar normaal gesproken iemand stil blijft staan, gaat ze gewoon verder. Ze houdt geen afstand, ze zet haar lichaam pal voor mij. Ze lijkt zich met mij te willen versmelten. Haar hoofd lijkt mijn hart in te gaan en daar gevoelens van liefde en warmte te zoeken. Ze hoeft niet te zoeken want ik heb nog steeds een zwak voor haar. De Franse jongedame, ik herinner mij haar nog goed uit onze ontmoetingen van het verleden. Ontmoetingen waarbij ze me aan het denken zetten over belangrijke vragen uit ons leven.

Haar gitzwarte steile haren steken af tegen de fel blauwe trui, die weer contrasteert met een zwarte rok. Ze komt uit orthodox Joodse huize en behoort rokken te dragen. Haar getinte huid doet mij aan mijn moeder denken. Ook zij Joods, met wortels in Portugal. Ooit was haar nu bijna geheel grijze haardos net zo zwart als dat van deze Franse jongedame, die contact met mij zoekt.

Het zoeken van contact gaat verder dan het moment van het stilstaan bij de deur. Ze trekt mij met flinke kraht naar de zwarte bank in de hoek van het lokaal en duwt mij op de bank naast haar. Ze draait zich in kleremakerszit naar mij toe. Strijkt haar rok glad tussen haar benen. Ik maak een grap en met de kracht dat ze mij laat neerploffen veer ik weer op en laat mij als nog weer terug zinken op de bank. ‘Springen’, zeg ik tegen haar. ‘Niet springen’ is haar korte antwoord.

‘Niet springen’, twee Nederlandse woorden, gesproken door deze jongedame, die ooit naar Nederland kwam en geen enkel woord begreep. Niemand in haar omgeving sprak Frans, van de een op de andere dag moest ze communiceren met een taal, die ze niet verstond. Gedropt in een instelling meer dan duizend kilometer van haar huis, moest ze verder met haar leven.  Verbazingwekkend vind ik het dat deze jongedame, Nederlandse woorden heeft leren spreken. De woorden worden vaak nagesproken, maar er zijn ook woorden, die ze functioneel gebruikt.

Deze jongedame heeft een talenknobbel. Behalve in het Frans en in het Nederlands kan ze ook in het Hebreeuws zingen. Zodra ze mij naast zich heeft geplaatst, zet ze het lied hava nagila in. Dit is een oud Joods volkslied, wat de betekenis, laten wij gelukkig zijn heeft. Zou het toeval zijn, dat zij dit lied nu inzet, nu we samen op de bank zitten?

Het lied zong ik jaren geleden met haar. Zowel in de activteitengroep als op de sjabbatvieringen, die ik voor de clienten leidde. In die gemeenschappelijke vieringen zocht de jongdame altijd de rust op. Ze wou niet bij iedereen zitten en liep wat aan de buitenkant van de groep langs of zat op een in de aanwezige ruimte schommel of trampoline.

Ze zoekt geborgenheid zoals nu. Samen op de bank, samen op een bed, in een ballenbak of samen staand bij het aanrecht in de keuken van het lokaal waar ik vroeger met haar werkte. Die drang naar geborgenheid zou wel eens kunnen komen door haar gevoelige zintuigen. Alle prikkels van buiten komen sterk door. Nagels knippen, haren knippen, bloed afnemen, maar ook een nat plekje op een trui zijn reden voor verstoring van haar evenwicht.

Haar overgevoeiligheid wordt misschien versterkt door haar slechtzienheid. Tot op dit moment terwijl ze zichtbaar vrolijk met mij meezingt, zijn haar ogen teneergeslagen. Ze richt zich totaal op haar gehoor. Ik vermoed dat ze ook een audiotieve gevoeligheid heeft en mede daarom snel de talen oppikt.

Haar stem is heel zuiver. Ze lijkt op te gaan in de tonen, die ze hoort. Totaal gefocused. Het geeft onze toevallige ontmoeting iets bovennatuurlijks. Een klein paradijs, een klein moment op de bank, terwijl in de omgeving van alles plaatsvind. Er is rumoer en beweging op de achtergrond, maar op de voorgrond staat onze wereld. Een wereld van herkenbaarheid, met een raamwerk van een lied, wat onze cultuur, ons geloof met elkaar verbind. Het is genieten, voor ons allebei.
Haar genieten deelt ze door mij zo nu en dan kusjes op de wang te geven. Heel voorzichtig brengt ze haar gezicht naar mijn wang, met veel gevoel, tast ze me af. Kan ze mij kussen, ja of nee, millimeter voor millimeter nadert ze mijn gezicht. Een grote spanning is voelbaar. De spanning leeft ook bij mij.

Wat moet ik doen? Kan, mag ik haar mij laten kussen ?

Zij is en jongedame, ik een man, mag er lichamelijk contact zijn tussen begeleiders en cliënten en van verschillende seksen in het bijzonder?

De vraag kan ik beantwoorden uit een aantal verschillende oogpunten. De Franse jongedame, komt zoals ik al vertelde afkomstig uit orthodox Joodse huize. Daar is dit soort contact verboden. Lichamelijk contact is behouden aan de getrouwde man en vrouw in afzondering van anderen. Vanuit proffesioneel oogpunt is het ook niet gewenst. Maar, hoe kan deze jongedame anders haar blijdschap en genegenheid uiten?

Deze Franse jongedame is een bijzondere dame, in vele opzichten, maar zeker ook in de mogelijkheid om met de omgeving te communiceren.Ze heeft heel weinig taal, zowel in haar moeder taal als alle andere talen waarin ze woorden weet uit te spreken. Ze kan niet zeggen, ik vind dit leuk. Ze kan niet zeggen ik vind je lief, haar taal is haar lichaam. Haar lichaam is een middel  dat in dienst staat van haar gevoelens. Er is niets anders dan haar lichaam.

Het dillema

Hoe kan ik nu haar persson, haar eigenheid respecteren en tegelijkertijd mijn integriteit tot het geloof en tot mijn proffessie behouden? Betreffende de godsdienst zou ik zeggen, rabbijnen en andere geloofsgeleerde geef mij een leidraad.

Wat de proffesie betreft is mijn visie duidelijk. Mijn proffessie is gestoeld op het feit dat ik de gevoelens tot genegenheid niet laat escaleren. Niet bij mij en niet bij haar. Ik moet de grens bewaken. Een kus, die zij mij op de wang geeft in deze speciale situatie is mijns insziens veroorloofd.
Ik nam altijd voorzorgsmaatregelen om ook naar de buitenwereld alle twijfel uit te sluiten. Ik zorg ervoor dat ik altijd met deze jongedame in het zicht van anderen ben. Om geen enkele risico tot verkeerde interpretaties te komen werkte ik alijd met open deuren en het liefst met anderen in de ruimte waar ik aanwezig was.

© Amiad Ilsar