Categorie archief: verstandelijke gehandicapten

Sleur

Het is een maandagochtend. Ik loop het lokaal in, waar ik deze werkdag zal verblijven. Een keukentje met een keukenblok, een bureautafel, een grote ronde vissenkom met wat guppies, een tafel met enkele gekleurde stoelen. Aan de kant van het lokaal nog een comfortabele stoel met een tafel ernaast en verder een tweetal kasten. Dit alles wordt verlicht door de zon die door een drietal ramen naar binnen schijnt. De grond is mosterdgeel en geeft samen met de stoelen kleur aan een soms wat sombere wereld van oudere mensen met een zware verstandelijke beperking. Drie in totaal zijn er aan mij vandaag toevertrouwd.  

Om even over negenen worden drie cliënten vanuit de woongroepen naar het lokaal gebracht. Ik ben nog nooit op deze groep, die de naam geel draagt, eindverantwoordelijke geweest. Geel is blijkbaar mijn kleur want in het gezondheidscentrum, die ik deze ochtend bel voor een afspraak met de huisarts, blijk ik ook in groep geel ingedeeld te zijn. Voor alle nieuwe medewerkers op deze gele groep is er een inwerkmap. In de map is een strak gestructureerd dagprogramma weergegeven.  

Ik lees in het dagprogramma dat een van de cliënten de dag begint met puzzels maken en een ander met kleurplaten kleuren. Dit wel nadat ik vraag wat ze willen doen. Nu ken ik de groep niet als geheel, maar individueel ken ik de cliënten allemaal. Zo ook deze puzzelman. Ik ken hem al achttien jaar en al deze jaren doet hij deze inlegpuzzels. Waarschijnlijk zal hij nog jaren deze puzzels doen totdat zijn cognitieve vermogens door ouderdom geteisterd nog verder zullen afnemen. Waarom doet deze man niets anders? Kan hij niets meer, of is hij door de continuïteit gewend geraakt aan die eeuwige puzzels. De puzzels zijn hoe dan ook met hem verbonden als zijn eigen ademhaling en hartslag. Dag in dag uit de puzzels, dag in dag uit voor de andere client schilderen en verven. Dezelfde tijd, hetzelfde lokaal een andere begeleider. 

De derde client, een vrouw zit in een comfortabele stoel te breien en te kletsen.  

Dan gaat de dag verder met een tien minuten ontbijtkoek smeren, ook dit programmaonderdeel staat gedocumenteerd en wordt uitgevoerd door de man, die net zat te schilderen. Dit smeren doet hij met veel zorg, ik vind het mooi dat dit onderdeel van een stukje dagelijkse zorg dat aan de cliënten wordt gegeven. Niet voor maar met de cliënten de dag vullen. 

Dan volgt er muziek. Kinderliedjes voor ouderen rond de zestig. Is dit hun behoeften? Of is dit het enige wat ze hebben geleerd te zingen. Elke ochtend weer. Nee, dit is niet het enige wat ze hebben geleerd. Ook Joodse en Israëlische liedjes kennen ze. 

Na het zingen volgt het thee en koffie moment. Gestructureerd. Twee koppen koffie gescheiden door een rookmoment voor de verfman.  

Daarna gaan we wandelen, lunch bereiden waarna er in de middag het programma ook weer gestructureerd is met verschillende tijdstippen waarop elk van de cliënten thuis moet worden gebracht of worden opgehaald en een vierde client met zware gedragsproblemen ook nog ruim een uur op de groep komt. 

Ik had deze dag een uitdaging om mee te gaan in een sleur van een totaal voorgeprogrammeerd verloop van gebeurtenissen. Het gaf mij een help gevoel. Een gevoel van hier wil ik uit breken en gaf mij de vraag hoe is deze structuur ontstaan. Wie had en heeft daar de meeste behoefte aan. De cliënten of de begeleiding? 

© Amiad Ilsar. 

Advertenties

De metro

Het is een donderdagochtend. Ik kom aan op Amsterdam Amstel. Net als de vier of drie andere dagen van de week. Ik ben op doorreis naar mijn werk. Donderdag, vandaag dus is dat een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking in Amstelveen. Op de andere dagen ontmoet ik de bewoners van een zorginstelling voor ouderen. Al deze informatie is relevant in het kader van de aanwezigen krantenbak van de Metro. De Metro is een gratis dagblad dat op de meeste werkdagen te vinden is op verschillende stations in Nederland. In de hoogtijdagen waren er drie gratis kranten voor reizigers te vinden. De Spits en Pers. De Metro is de enige die heeft overleefd. Door de jaren lijkt de inhoud wel te zijn verminderd.

De inhoud van de krant lijkt mij niet zo van belang voor drie dames die in de zorginstelling voor ouderen wonen. Zij wachtten in de woonkamer van de vierde etage elke ochtend op de krant. Mocht deze niet op hun eettafel liggen dan hebben ze altijd hoop dat de krant nog bij de receptie, vier etages lager ligt.

Een van de collega’s van de receptie neemt kranten mee van station RAI en ik dus vanaf station Amstel. Omdat we niet met elkaar kortsluiten. Zijn er soms op dagen als we allebei werken een dubbele hoeveelheid kranten aanwezig. Niet erg.

Het voelt heel goed voor ons beiden om met een kleine moeite de kranten mee te nemen naar het verzorgingshuis als je weet dat drie dames waarvan er twee in een rolstoel en de andere slecht te been is met veel plezier en concentratie de puzzelpagina invullen. Want daar is het dames om te doen. De puzzelpagina.

Ik heb geen idee of mijn collega vandaag werkt. Het is een kleine moeite omdat ik vanochtend via het Amstelstation reis op weg naar mijn andere werk even wat krantjes af te geven en de drie dames te verblijden. Ik twijfel.

Eenzelfde twijfel die ik bijna dagelijks heb met de vraag of ik wel de krantjes naar boven moet brengen. De dames rollen nog zelfstandig door het huis. Dus waarom zouden ze niet zelf naar beneden kunnen komen? Is het niet genoeg dat mijn collega en ik ervoor zorgen dat de krantjes naar het huis komen?

Ikzelf herken mij niet in het eerder geschetste beeld dat ik naar boven lift met de krantjes onder mijn arm. Hoe dan? Vraag ik mij af. Ik die de bewoners zoveel mogelijk zaken zelf laat regelen. Ik die bijna de hele werkdag in het verzorgings en verpleeghuis gefocused is op dat hele kleine wat iemand met zijn beperkte middelen nog kan doen. Diezelfde persoon, ik, breng de kranten tot de ontbijttafel. Waarom?

Ik beargumenteer dat op een misschien wat kromme manier. Het viel mij op dat de bewoners regelrecht uit hun bed aan tafel schuiven. Pas na het ontbijt gaat men naar beneden. Ikzelf hou ervan om met de krant te ontbijten. Daarom breng ik de krant tot aan de ontbijttafel.

Maar dat is de grens. Vandaag ben ik er niet ook niet als krantenbezorger. Hoe spijtig misschien voor de dames, indien mijn collega van de receptie er niet is.

© Amiad Ilsar.

Geintresseerd observeren

Ik begeleidde Mary ruim twintig jaar geleden tijdens de lunches. Een pubermeisje van een jaar of zestien met een ernstige en meervoudige beperking. Ze zat op haar rolstoel als ik haar elke middag van een werkdag rond 12:30 ontmoette. Zij kon door spierslapte niet staan en leed aan ongewenste bewegingen van vooral haar benen. Mary kon haar handen wel goed gecontroleerd bewegen en ze kon met die handen zaken vastgrijpen. Omdat haar cognitieve mogelijkheden beperkt waren stopte ze veel zaken in haar mond. Ook zaken die daarvoor niet bestemd zijn.

Mary reageerde met geluiden en gelaatsuitdrukkingen. Mary was een meisje met fijne gelaatstrekken en lichtblond sluik haar.

Mary had nog vijf mede puber klasgenoten. Geen enkel van hen zat in een rolstoel.

Het was mijn taak om de onderwijzeres van de groep tijdens het eten te ondersteunen. De lunch was een integraal onderdeel in de school. Het hele team, onderwijzers, verzorgers en therapeuten waren samen verantwoordelijk voor de voeding van de leerlingen.

Ik had zelf de keuze gemaakt om Mary te helpen.

Elke middag bracht een verzorgende een portie met vermalen vlees voor Mary. Dat had een reden. Mary kauwde het eten nauwelijks. Drie maanden lang hielp ik Mary zonder enige interventie toe te passen. Deze maanden waren voor mij de waarneming maanden, maanden waarin ik informatie over haar verzamelde en geïnteresseerd waarnam over wat en hoe Mary nu at.

Mijn waarnemingen lieten zien dat Mary haar mond zelfstandig kon ontsluiten en sluiten. Dat Mary haar hoofd af wendde, als ze genoeg had of niet meer wou eten en tot slot nam ik waar dat Mary gekruid voedsel niet lustte. Mary lustte geen gemalen hamburgers. Mary had duidelijke voorkeuren. Door de tijd te nemen en haar gedrag te observeren werd ze een individu, die zich onderscheidde van de rest.

Er waren dagen dat Mary niet meer wou eten dan een halve portie. Het middageten bestond dan uit groente, rijst, aardappels en soms pasta. Alles werd vermalen en vaak ook door elkaar geroerd. Een kleurige brij. Met man en macht moest ik soms met de aanwezigen verzorgenden vechten om het eten op aparte plaatsen op het bord te deponeren. Via de verschillende smaken kon Mary beter aan mij laten zien wat ze lekker vond. Aangezien Mary zeer slecht visueel kon onderscheiden nam ik aan dat het visuele karakter van de gescheiden porties alleen voor mij een betekenis had.

Het viel mij ondertussen op dat Mary met veel plezier haar toetje – een geprakte banaan at -. Mary maakt heel enthousiast haar mond open voor de geprakte banaan. Van geprakte banaan ging mijn zoektocht verder naar in soep gedoopt brood, fijn gekookte groente en geprakte aardappelen.

Langzaam ging Mary beter eten. Langzaam at ze meer en meer geprakt voedsel in plaats van het eerder fijn gemalen eten, waarbij het kauwen steeds beter en beter werd

Ik kwam de tekst over Mary deze week tegen tijdens een schoonmaak in een kast. Mary heeft mij geleerd dat het geïnteresseerd observeren zomaar een client tot een individu maakt en daarbij de levenskwaliteit wordt verbetert.

© Amiad Ilsar

Verwerkingstijd

Nee. Het is het eerste woord wat ik wil zeggen als ik via de telefoon hoor dat jij bent overleden. Nee. Het woord wat zo met jouw verbonden was. Het woord wat je soms versterkte met een handgebaar. Nee, was het stopwoord wat je tijd gaf om aan een nieuwe situatie te wennen.

In de huidige snelle wereld van het 4g internet, was je een buitenbeentje. Jij was meer van de Slow motion en het hippe slow food. Ik herinner mij een beeld van 2001. In Amersfoort een locatie in de bossen. Ik heb in die tijd vanuit het lokaal waar ik een deel van je woongroep activeer, uitzicht op een wandelpad. Achter het wandelpad was het altijd groen met de naaldbomen. De groene wereld werd verrijkt met een dierenwereld. Konijnen om wel te verstaan. Deze stonden aan de rand van het pad. Jij gaf als deelneemster van de tuingroep, eten aan de konijnen. Jij liep in de ochtenden met een voerbakje over het pad naar de hokken. Je tempo was langzaam. Maar je was doelgericht. Je was erg aan je werk gehecht en deed dit heel nauwkeurig en trouw.

Mijn herinneringen zijn vooral toegespitst op de tijd dat je met mijn gezin en mij een keer in de maand naar sjoel ging. Je woonde toen al in Amstelveen. Het was een tijd zo ergens tussen 2011 en 2017 waarin wij rond half tien in de ochtend je kwamen ophalen. Vaak zat je met je eten nog voor je op de diep donkere bruine tafel, terwijl de anderen van de groep al klaar waren. Een periode had je een bijzondere klok naast je staan die met een rood vlak, visueel de overgebleven tijd aan gaf. Vaak was die al verlopen, als je nog de laatste happen of slokken moest nemen.

Als je klaar was gingen we naar sjoel. Je wou graag als steun een arm hebben. je koos daar iemand voor uit. Mijn dochter. Voetje voor voetje, bij oversteek plaatsen met je voet voorzichtig aftasten, liepen jullie arm in arm de kleine kilometer heen en weer. In sjoel volgde je het gebeuren vanachter de tafel het gordijn vanuit het vrouwengedeelte.

Het ging in de laatste  periode dat ik je kende steeds een beetje slechter. Je gezondheid, je fysieke gesteldheid en je cognitie het werd steeds iets minder. Totdat je niet meer naar sjoel ging, je verhuisde weer naar een andere woonvoorziening. Een plek met meer zorg. Daar ben je afgelopen dinsdag onze wereld verlaten.

Ik kende je niet alleen vanuit de wandelroutes. Ik kende je van de feesten in de Joodse liberale gemeente waar je genoot van de muziek en de sfeer. Ik kende je van de bijzondere Chanoeka ontmoetingen in de woonkamer van jouw woongroep. Daar in de huiskamer zag ik hoe je genoot van de aandacht van mijn oud collega en haar zonen- die ik elk jaar weer een stukje verder zag groeien- contact hield. Je genoot van hun aanwezigheid en van de door hun meegebrachte cadeaus. De glans van het cadeaupapier, en het moment van de onthulling van de verrassing.

Het laatste beeld van hoe je kon genieten is digitaal opgeslagen. Anderhalve maand geleden. De zomer BBQ, die we dit jaar een maand eerder hebben gedaan dan normaal. Niets is toevallig. Op de foto zien we een bewoner van de groep en jou. Twee werelden die achter elkaar zijn verdwenen. Het is moeilijk te bevatten. Nee, dit is niet fijn. Dit is heel verdrietig. Maar we zullen er helaas wel aan moeten wennen. Alleen hebben ook wij nu even verwerkingstijd nodig.

© Amiad Ilsar.

 

17.50

Mijn verhaal begint op een Duitse weg. Na een korte vakantie zijn we weer op weg terug naar Nederland. Het is 17:50 ik kijk op de klok voor mij op het dashboard. Nu heb ik een ijkpunt. Hoe lang ik onderweg ben. Belangrijk voor een eventuele rustpauze. Belangrijk voor misschien overbodige vraag na afloop. Hoe lang wij erover heb gedaan. Nog enkele uren en we zijn thuis.

Na een nachtrust sta ik vroeg op ik breng de auto naar de garage. Ik loop naar huis en kijk naar boven. Ondanks de al fel schijnende zon staat er nog een halve maan aan de hemel. Een vliegtuig beweegt zich van recht naar links.

De maan doet mij denken aan de zin uit een bekend Israëlisch liedje. ‘Kijk naar de maan, daar is een mens’.

Je hield van Israëlische liedjes. De muziekavonden. Je hield van de ontmoetingen begeleid met Israëlische muziek in de Liberaal Joodse Gemeente. Deze voorliefde is niet vreemd. Je werd in 1945, in Israël geboren. Tot je dertiende groeide je daarop totdat je verhuisde naar Zwitserland. Ook ik ben ooit geboren in Israël. Ik groeide vervolgens hierop ging naar Israël terug en in 2001 koos ik Nederland weer uit als woonplaats. In dat jaar kwam ik je voor het eerst tegen. Je naam Ruthi, voelde goed, gaf mij een diepere binding. Het was een naam die ik uit Israël kende.

Onze ontmoetingen waren vooral in de wandelgangen. Je woonde toen in de woongroep Etrog. Daar en ook later in Amstelveen vond je het geweldig om zelfstandig boodschappen te doen.  De ontmoetingen in de wandelgangen vonden plaats omdat je daar dagbesteding kwam doen. Deze bestond uit borduren, memory en puzzels. Je ging ook mee wandelen. Je duwde dan soms de rolstoel van je maatje Sjalom, die bij mij in de groep van Chalav oe Dwash zat.

Deze naam is gebaseerd op het land Israël, het land van melk en honing, zoals het genoemd wordt in het stuk uit de Thora, wat morgen in de synagoge wordt gelezen.

In de wandelgangen probeerde je altijd contact te maken. Geluiden, gebaren, oogcontact en losse woorden, waren je middelen om dat te doen. Het leek mij altijd dat je een voorkeur had voor mannen. In ieder geval wist je mij soms te verrassen en mij in mijn kruis te grijpen. Als ik je dan vermanend toesprak wist je een onschuldig gezicht te trekken en ‘nee’, te schudden.

Je begreep meer dan je kon verwoorden. Je moedertaal was Ivriet, Hebreeuws. Na een zesjarig verblijf in Zwitserland kom je op 19-jarige leeftijd in het Sinaï in Amersfoort terecht. Nu moest je Nederlands leren. Met je verstandelijke vermogens was dat een hele klus. Maar communiceren deed je vooral ook zonder woorden.

Jij was vroeger overal waar mensen waren. Je hield van mensen. Je was ook een zorgzaam persoon. Hielp bij het geven van eten en drinken aan andere bewoners, die dat niet alleen konden. Waar mensen zijn gebeuren dingen. Je was nieuwsgierig van aard, wou alles weten, beleven en zien.

Ondanks de fysieke afstand met je broer in Israël bleef er een band. Het vliegtuig dat bij de maan zichtbaar was, zou de band tussen jullie kunnen symboliseren. Je broer vloog hiernaartoe en jij twee keer naar hem. Je bezocht Jeruzalem, Nethanja en Tel Aviv. Je broer hield ook contact met je via skype.

Het was afgelopen maandag toen ik een appje kreeg dat het slecht met je ging. Ik was blij, om ondanks mijn vakantie op de hoogte te worden gesteld. In de dagen daarna, begreep ik bleef het slecht gaan. Ik vroeg in stilte, kijkende richting de blauwe hemel boven de door de droogte lijdende bomen dat je het nog even uithoudt. Hoopte nog even afscheid van je te kunnen nemen.

Het was gisterenavond even na tienen. Ik bel de woning. ‘Leeft Ruthi nog?’, vraag ik. Jouw verhaal eindigt als ik hoor dat je om 17:50 bent overleden.

Moge jouw ziel worden opgenomen in de bundel van het eeuwige leven.

© Amiad Ilsar.

Synagogebezoek

De man stapt de ruimte binnen die op zaterdag dienst doet als synagoge. Het is druk deze zaterdag. Een echtpaar viert hun 65ste verjaardag. Ik neem aan dat deze man-  met  een  zwart, blauwe keppel  op zijn kalende hoofd- ook tot de gasten behoort. De man kijkt in het rond. Hij lijkt een plaats te zoeken. Wij zitten in een rij die haaks op het gangpad staat.

De binnenkomst, de aarzeling en de uiteindelijke toewijzing van een plek tegenover ons door een andere sjoelbezoeker. Het wordt allemaal gadegeslagen door de man naast mij. Deze man, met een verstandelijke beperking, is na lange tijd weer eens mee met zijn twee groepsbewoners. Deze drie vormen samen met nog andere drie mannen uit het wooncentrum een bont gezelschap die hier samen met de andere sjoelbezoekers de dienst volgen.

De nieuwkomer wil zich installeren op de aangewezen stoel. Hij pakt zijn fluwelen blauwe zak met zijn gebedskleed. Het gebedenboek- waar hij later blijkt, geen raad mee weet- legt hij op lichtbruine zitting van de stoel. Staande met het zakje in zijn hand ontstaat er oogcontact tussen hem en de man naast mij. deze wenkt hem. De wijsvinger is licht opgestoken, en beweegt zich gekromd heen en weer. Keer op keer. ‘Komt u maar eens hier’, lijkt hij met gebaar te zeggen.

De man tegenover aarzelt. Hij lijkt zich af te vragen wat dit allemaal betekent. Word ik geroepen? Schijnt hij te denken. Ja, meneer, de man naast mij roept u.

De man roept wel eens vaker bezoekers, maar nog vaker staat hij op en wenst hij hen een sjabbat sjalom. Alle bezoekers worden nauwkeurig gescand en verdeeld in de groep, wel of niet gegroet. De laatste categorie krijgt dan vaak tijdens onverwachte momenten een hand met een wens toegereikt.  Heel vaak vraagt hij dan meteen of de man een Jood is en Hebreeuws kan. Heel soms gaat het ook verder en ontstaat er een gesprek, een weerzien tussen oude bekenden.

Ik heb een vermoeden door de standvastigheid van de bewegingen van de man naast mij, dat de man die uiteindelijk wat naar voren gebogen met kleine passen zich een weg baant tussen de stoelen, een kennis is.

Ik zeg daarom niets. Ik blijf kijken en observeren. Volg de bewegingen van de wijsvinger en de naderende stappen. Ik zie de verwondering op het gelaat van de man. ‘Ken ik u’, denkt hij zich af te vragen. Er gaat geen lichtje branden. Ook niet als de man naast mij de hand uitreikt. De handen worden geschud. Twee mannen, die elkaar ontmoeten door de onaf latende vasthoudendheid van mijn buurman. Bent u Joods, klinkt het naast mij.

De verwarring bij de geroepen man is groot. De man naast mij oogt niet meteen als iemand met een handicap. De vraag bent u Joods is natuurlijk wel heel vreemd in een synagoge. Nu is het moment dat ik ingrijp. ‘Die meneer is Joods’. Mijn opmerking brengt de ontmoeting tot een einde de hand wordt losgelaten en de man gaat terug naar zijn plaats.

Sjabbat sjalom, meneer.

© Amiad Ilsar.

Veranderingen

Een dinsdagmiddag de ontvangstruimte van het dagcentrum voor mensen met een verstandelijke handicap. De voorziening heeft een Joodse identiteit. Ik heb een afspraak. Hij komt binnen met een keppel op zijn hoofd. Ik ken hem als iemand die buiten de synagoge geen keppel draagt.  Waarom hij deze nu wel op had, weet ik niet. Hij is niet alleen. Hij is hier met zijn baas. Deze man heeft een tas bij zich, maar had geen keppel op. Logisch want de baas is niet Joods. Zijn Joodse kennis zit in de tas. Het is een flinke tas. De man heeft een flinke hoeveelheid  aan kennis over het Jodendom  als bagage. De kennis vergaart in het Joodse zorgcircuit voor verstandelijke beperkte mensen, waar hij al in zijn jongere jaren zijn arbeidsloopbaan was begonnen. 

Na een kort gesprek in de binnentuin gaan we aan tafel zitten in een ruimte die ooit een bijzondere bakkerswinkel was. Een winkel waar professionele krachten samen met mensen met een meest lichte verstandelijke beperking koosjer brood verkochten. Het succes was  groot. Zo groot dat het daaraan ten onder ging. Het oorspronkelijke  plan behelsde een bescheiden bakker. Echter de plek groeide uit tot een plek waar vier beroepskrachten een grote hoeveelheid brood bakten en de cliënten nauwelijks nog toekwamen aan hun eigen groei . De bakkerij verdween en werd tot een ontvangstruimte en een gymzaal verbouwt. 

Maar niet alleen de bakker verdween langzamer maar zeker met het verstrijken van de jaren verstreek ook de absolute meerderheid van Joodse cliënten. Joodse cliënten, die stierven werden niet vervangen door Joodse cliënten.  De impact van wat er in de tweede wereld oorlog is gebeurd kwam langzaam maar zeker boven drijven. Een kleinere populatie gezonde mensen resulteerde automatisch ook in een kleinere groep mensen die zorg nodig hadden. Het is een demografisch gegeven. Droge statistiek in een veranderende samenleving. 

In heel Europa was er geen specifieke Joodse zorg  op het gebied van mensen met verstandelijke beperking. Om die reden  waren er ook bewoners van buiten Nederland, die naar het toenmalige Sinai centrum kwamen. Zo werd de populatie van de aanwezigen bewoners met personen buiten Nederland aangevuld.  Met veranderende Europese wetgeving kwam er in begin 2000 een opnamestop voor bewoners buiten Nederland en zo droogde deze potentiële bron van zorgvragers  ook op. 

Maar hier bleef het niet bij. Ook de vraag naar Joodse zorg vanuit de Joodse populatie werd minder. Niet alle Joodse zorgvragers wouden en wilden een instelling die de Joodse identiteit bewaakt door middel van het vasthouden aan  strenge religieuze regels. 

Al deze ontwikkelingen leidde ertoe dat we ruim een week voor 4 mei aan de tafel uitspreken dat het lijkt dat er op dit moment  een beperkte behoefte  is naar specifiek op Joodse religieuze grondslag gebaseerde zorg. 

Ik wil de nadruk leggen op het feit dat dit ook geld voor de Joodse ouderen zorg, waar ik ook werkzaam in ben.  Ook hier is een afname van de potentiële  doelgroep. Ook hier zien we krimp. Ook hier zien we de gevolgen van de tweede oorlog nu duidelijk naar boven komen. en ook hier zien we van huis uit niet Joodse zorgorganisaties, die de verantwoordelijkheid nemen om een kleine Joodse bevolkingsgroep van zorg te bedienen. 

Even voordat wij ons gezamenlijke gesprek beëindigen zet de man zijn keppel af. 

© Amiad Ilsar.