Categorie archief: Uncategorized

4 mei

Ik rij vandaag in de bus net als elke dag naar het werk. Het is stil vandaag. Zowel in de bus als op de weg. 4 mei, een maandag in de meivakantie. Het is mijn eerste 4 mei herdenking in het Joodse verzorgingshuis. Het is moeilijk om mijn woorden op papier te krijgen. Er is veel emotie. Emotie die gericht is op mijn persoonlijke situatie. Verdriet. Het is mijn eerste 4 mei zonder mijn moeder. Zij was de laatste van mijn familie die de tweede wereldoorlog heeft meegemaakt. Geboren op 17 mei 1940 was zij enkele dagen oud toen de oorlog uitbrak. Ondergedoken en gescheiden van haar eveneens ondergedoken ouders heeft ze net als de bewoners waarnaar ik onderweg ben de verschrikkingen overleefd.

Mijn vader, die al in 1997 is gestorven, wordt in Wenen geboren. Wenen een mooie stad, volgens onze Duitse vrijwilligster, die mij vanochtend vertelt over haar indrukken na een korte vakantie, daar. Bij de opkomst van het nazisme lukt het mijn grootouders om via een visum voor Shanghai via Frankrijk met de boot naar het toenmalig Palestina te vluchtten. Daar groeit mijn vader op en ontmoet in 1962 mijn moeder, die verstoken van enig Joodse kennis haar wortels probeert te vinden.

De kans was klein dat mijn moeder zonder het uitbreken van de oorlog meer van het Jodendom zou hebben meegekregen want ze kwam uit een familie die vooral het socialisme en communisme aanhingen dan religie en geloof.

Vandaag ook hier in de binnentuin van het gebouw, zitten vele bewoners, waarbij de Joodse religie een kleine rol speelt in het dagelijkse leven. Echter op dit moment zijn het de gebeden, de riten en gebruiken die een raamwerk vormen waarin zij nu leven. Velen die hier in de voor de plechtigheid omgebouwde binnentuin vormen een tanend levend bewijs van wat er in de periode 40-45 is gebeurd. Hier op deze plaats zijn er verhalen te horen van degene die de verschrikkingen hebben overleefd.

mesjek 4 mei

Hier op deze plaats, op deze maandagmiddag door de zon verlicht in de binnentuin zijn tijdens de plechtigheid verhalen te horen van religieuze en liberale Joden. Verhalen die een beeld geven hoe Joodse mensen, ongezien hun niveau van belijden van de religie systematisch zijn vervolgd en vermoord. Hier op deze plaats zijn maar liefst twee rabbijnen, die twee stromingen in het Jodendom aanwezig. Dit gebeurt niet vaak. Het is bijzonder. Het maakt de plechtigheid waarbij ook de voorzitter van het Joodse zorgcircuit een toespraak houdt tot iets bijzonders.

Er is meer wat als bijzonder kan worden betiteld. Zo leest een Islamitische medewerkster een gedicht van Ida Vos voor. Deze kleine vrouw met haar hoofddoek duidelijk zenuwachtig om voor de ruim honderd aanwezigen haar bijdrage voor te dragen is moedig en geeft een statement af. Zij bewijst dat het mogelijk is om samen te leven. Om samen te rouwen. Om samen elke dag weer zorg te dragen voor een groot deel van onze bewoners, die voor ruim zeventig jaar geleden duistere tijden hebben meegemaakt.

En dan worden er bloemen gelegd. Het eerste bloemstuk door de twintig jarige Duitse vrijwilligster en een 92 jarige overlevende van Auschwitz.

© Amiad Ilsar

Advertenties

Surinaams eten

Het leven is een groot feest. In het Jodendom is er een vraag die verbonden is met een feestdag, namelijk wat eten wij. Ik sta in de eetzaal, maar heb geen idee wat er gegeten gaat worden. De zaal is versierd met vlaggetjes en vanuit andere plekken in het gebouw zijn planten aangereden. Met dit groen willen we een relatie leggen met het tropische oerwoud. Vandaag wordt er een Suri-Joodse dag gevierd.

Suri-joods wat is dat? Suri-joods is een samenvoeging van twee woorden Suriname en Joods. De dag wordt In samenwerking met het Joods historisch museum gehouden. In dit museum is op dit moment een tentoonstelling over het Joodse leven van ruim vierhonderd jaar geleden in de Cariben te zien.

In ons huis hebben we op dit moment enkele bewoners die afkomstig zijn uit het Cariben. Op mijn mail vond ik vanochtend een mailtje. In deze elektronische boodschap wordt vermeld dat een van de bewoners spulletjes uit Suriname naar de eetzaal zal brengen om deze als versiering op een tafel te kunnen tonen. Ik spreek meneer aan. Hij zit aan een tafel tegenover zijn zus. Meneer heeft geen spulletjes naar beneden gebracht. Sterker nog hij heeft volgens zijn zeggen helemaal geen spulletjes. Zijn zus begrijpt er niets aan en spreekt hem aan. Met een luide toon en met een Surinaams temperament legt ze hem uit dat iedereen hier ernaar heeft uitgekeken. Waarom heeft hij de spullen- welke deze ook mogen zijn- niet meegenomen? Vraagt zij met luide stem. Het heeft echter geen effect. Hij blijft rustig onbewogen aan tafel zitten en de door mijn collega en mij georganiseerde tafel bij de ingang van de eetzaal blijft leeg.

De eetzaal daarentegen vult zich langzaam. Mensen kijken om zich heen. Sommige verbaasde ogen kijken meest verborgen achter brillenglazen kijken enkele momenten om zich heen. Aan andere lijken de versieringen en de planten die de bewoners achter de rollators tot meer manoeuvreren aanzet te ontgaan. Maar uiteindelijk bereiken alle hun doel en nemen zij plaats op hun vaste plekken aan de feestelijke gedekte tafels. Voor hen liggen papieren placemats met de Surinaamse vlag.

De maaltijd is een belangrijk moment van de dag. Rond 12.00 begint een geleidelijke stroom van over het algemeen vrouwelijke bewoners. Het menu is hoe kan het anders Surinaams. De papieren strookjes waarop de bewoners hun keuze mogen weergeven vermelden Surinaamse termen, erachter staat de Nederlandse betekenis. De bewoners van de verpleegafdeling waarover ik de verantwoordelijkheid heb reageren in het algemeen met enthousiasme ze willen eigenlijk niet kiezen. Kip of rundvlees? ‘Ik wil allebei’, is het antwoord van de vrouw in de rolstoel. Een oplossing is snel gevonden ik breng twee porties van het hoofdgerecht met de kip en het rundvlees en we delen het door vieren. Het eten kunnen we wegspoelen met Surinaams bier zonder alcohol en een Surinaamse cake. Mijn tafelgenoten zijn meer dan tevreden. Het was dan ook een voortreffelijk met liefde en zorg bereide maaltijd. Met dank aan alle keukenmedewerkers.

© Amiad Ilsar

de lift

Dit is het verhaal over een lift. Niet zomaar een lift. Een lift die bewoners met een glazen wand, die vier verschillende verdiepingen en de beneden verdieping met de entree met elkaar verbindt. Een gewilde lift. Een lift waar op spitsuren bijzondere ontmoetingen en interacties ontstaan. Velen inwoners van het gebouw, vooral bebrilde vrouwen met grijs haar, wachten nu na afloop van een concert op de langzame bewegingen van een lift. Een lift, die uit ver verleden tijden lijkt te stammen. Tijden toen er waarschijnlijk minder bewoners op een rolstoel zaten, aangezien de afmetingen van de lift. Het waren tijden toen de rollator nog moest worden uitgevonden. Volgens Wikipedia is de rollator in 1987 in Nederland geïntroduceerd en het gebouw is minstens tien jaar ouder. In deze lift konden ooit ruim tien mensen plaatsnemen nu is hij geschikt voor maximaal twee mensen zittend op een rolstoel en vier personen met een rollator.

Als begeleider van de aanwezigen tijdens het concert ben ik betrokken bij het vervoer van de bewoners naar hun kamer op de verschillende woonlagen. Ik duw een van de vrouwen met een rolstoel naar de lift. Ik maneuvreer mij brutaal vooraan de rij naast een andere vrouw die ook op een rolstoel zit. De rij van wachtende vrouwen lijken het een normale zaak te vinden dat ik voordring. Als mannelijk personeelslid heb ik privileges, in deze vrouwenwereld, of het te wijten is aan het feit dat ik man, medewerker of beiden ben, weet ik niet.

Als de liftdeuren open gaan, ga ik als eerste naar binnen. Ik zet mevrouw met haar rolstoel zoveel mogelijk tegen de muur van de lift en daarna loop ik enkele stappen naar buiten en geef ik de ruimte voor de volgende. De zelfstandige vrouw, Mieke rolt haar rolstoel naar binnen. Door het feit dat de twee vrouwen met vrij gestrekte benen zitten moet ik haar in de lift helpen en haar rolstoel op de centimeter nauwkeurig manoeuvreren zodat de deuren zich kunnen sluiten. Ik doe een stap naar achteren. Het elektrische oog van de lift registreert niets meer en met een onverwachte snelle beweging sluiten de twee deuren van de lift zich. De rolstoel van Mieke blijkt niet genoeg naar voren te staan. Beng. Als de deuren sluiten bonken ze met een klap tegen de handvaten en openen de deuren zich met even grote snelheid als dat ze dicht gingen. Mieke is terecht boos. Met enig geduld moet Mieke nu weer naar buiten. Alleen zo snel krijg je een rij met vele personen en hun rollators niet naar achteren. Uiteindelijk is er een andere vrouw op een rolstoel, die minder vooruitstekende voetsteunen heeft en zij en een vrijwilligster kunnen mee. Voordat de deuren sluiten zie ik door de glazen buitendeur een ambulance voorrijden. Wij moeten snel naar boven om plaats te maken voor een brancard.

Snel is een verlangen, een droom misschien in een wereld van elektronische onveranderbare traagheid. Nu wil het ook nog dat iemand ooit bedacht heeft om van de vierde een verpleegafdeling te creëren. De hoogste etage van het gebouw. Erg snel zijn de vrijwilligster en ik dus niet boven. Zeker niet als we onderweg nog moeten stoppen voor iemand die met rollator en al van de eerste naar de tweede wil, omdat daar om vijf uur eten uitgeserveerd wordt. Met enige moeite lukt het om haar een verdieping mee te laten gaan. Als we eenmaal boven zijn aangekomen blijf ik in de deuropening staan terwijl de vrijwilligster zo snel mogelijk de vrouwen naar hun plek in de huiskamer begeleid. Zo kunnen we snel weer naar beneden. Maar snel bestaat hier niet. Onderweg naar beneden stopt de lift op de tweede. Daar is mevrouw van de eerste, ze moet nog even naar toilet. De knop van de eerste wordt ingedrukt.

Beneden aangekomen staan er ambulancebroeders met een met een bewoner van de vierde etage, liggend op een brancard. Zij hebben eindeloos moeten wachten. De ambulancebroeders maken een opmerking, terwijl ze naar binnen stappen, over het feit dat ze moesten wachten op twee mensen, die net zo goed met de trap zouden kunnen gaan. Ze zouden eens moeten weten wat er allemaal is gebeurd.

Voor de volgende rit naar boven zijn een vrouw op een rolstoel en een drietal vrouwen met rollator aan de beurt. Ik hou alles zo goed mogelijk in de gaten. Geen voordringers bij mij. De eerste stop is de eerste. ‘U kunt eruit’, roep ik. Oeps mevrouw staat achterin. De vrouwen zijn in de verkeerde volgorde ingestapt. Degene die er het eerst uit moet staat nu achteraan. Gevolg een tweetal dames, die met rollator achteruit de lift manoeuvreren en plaats maken voor de uitgaande mevrouw met rollator en weer instappen. Daar gaan we weer op weg naar de derde en vierde. Stop. Tweede etage, een vrouw wil naar beneden. ’Mevrouw, wij gaan naar boven’, meld ik haar. Een verwarde blik en ik druk op de knop met de twee sluitende pijlen. De deuren sluiten direct. Op de derde de twee uitstappers sjok sjok, achter hun rollator, daar gaan zij. De deuren sluiten we zijn weer op weg. Naar de vierde. Boven aangekomen duw ik de vrouw de lift uit excuseer ik haar dat ik haar verder niet de woonkamer help inrijden en ga ik weer naar beneden. Onderweg stopt de lift op de tweede en de vrouw van eerder kan nu instappen. Beneden aangekomen gaat de nog steeds lange rij even opzij en de lift kan opnieuw worden gevuld. In de rij Ingrid. Zij zit op een rolstoel en zij kan samen met de vrijwilligster en een tweetal dames en de zoon van een van hen, de lift in. Nu let ik op de volgorde bij het binnen gaan en gaat er minder tijd verloren bij het uitstappen.

Boven aangekomen rijd de vrijwilligster Ingrid eruit en wacht ik met de ambulancebroeders die met de lege brancard weer afdalen, bij de open deur. De vrijwilligster geeft aan dat ik kan afdalen. Het wordt een lange rit met op bijna elke verdieping een stop. Velen bewoners willen weer naar beneden.

Beneden aangekomen regel ik als verkeersregelaar de laatste keer, die ik met de lift naar boven moet gaan. Nu echter is de derde voor mij de hoogste verdieping. Na ruim twintig minuten liften kom ik opnieuw beneden en stappen de laatste drie dames met rollator in de lift en ben ik weer een ervaring rijker als liftboy annex verkeersregelaar.

© Amiad Ilsar.

Salade

Om plannen uit te voeren is het soms belangrijk om doelgericht te blijven handelen. Het doel staat mij vandaag duidelijk voor ogen. Ik wil een verrijking bieden, een salade maken met de bewoners van de tweede verdieping voor het aansluitende avondeten. De bestelling heb ik gemaakt via de nieuwe weg, die besloten is op een teamvergadering. Ik bel de keuken om te vragen of de bestelling klaar ligt. ‘Een bestelling voor de dagactiviteiten, nee die is hier niet’, vertelt mij de stem door de telefoon. ‘Wat heb je nodig?’ Vraagt de medewerkster met belangstelling. ’Tomaten, komkommer, voor een salade’, ga ik verder. ‘Dat heb ik wel’. ’Ik kom het zo halen’.

Ik begeef mij naar de keuken en haal daar drie tomaten en enkele zoet zure augurken op, die uit een grote pot voor mij worden gehaald. Gewapend met dit alles begeef ik mij naar de keukenkasten om de benodigde kommen, snijplanken en messen te halen. De sloten op de kastjes vormen de volgende hindernis op weg naar het doel. Waar is de sleutel? Ik begeef mij naar de activiteitenruimte. Rechter la onder het aanrecht, daar lag de reservesleutel altijd. Altijd. Tot vandaag. Ik rommel in de la vind van alles maar geen sleutel. Wat nu? Mijn collega opbellen op een van de afdelingen hierboven mij, opbellen, maar welk nummer heeft zij? Ik heb de vaste telefoon. Zij een van de telefoons die deze dag ongebruikt in de opladers achter de receptie balie stonden. Ik draai een negen en krijg de receptie, de aanwezige receptionist geeft mij het nummer van mijn collega en zo klim ik even later drie trappen op om de sleutel bij haar op te halen.

Ik vind na enig zoekwerk een blauwe plastic kom, twee scherpe messen en twee snijplanken. Genoeg om twee mensen tegelijkertijd de groenten te laten snijden. Twee bewoners zal ik wel kunnen vinden op de tweede verdieping waar toch ook wel veel bewoners zijn, die geen snijvaardigheden meer hebben en ook geen begrip meer om toe te kijken. Ik neem zowel de groenten als het keukengerei zet het op een transportkarretje en rij naar de tweede verdieping. Als ik de lift uitstap, zwaait de deur van de afdeling open en kijk ik in een lachend gezicht van een van de eventuele kandidaten, een vrouw in een rolstoel. De breed lachende man die haar duwt, haar zoon, vertelt dat ze gaan buurten en wat drinken. ‘Geniet ervan’, roep ik hen na en ik zet koers richting een van de twee woonkamers van de afdeling. Het is onrustig. Enkele bewoners lopen verdwaasd en schijnbaar doelloos te zoeken naar het onvindbare. Een van hen een man loopt met kleine pasjes heen en weer bewegend. Ik ken hem als iemand die een kandidaat kan zijn om al dan niet passief mee te doen. ‘Komt u zitten’. Ik schuif hem een stoel toe. Hij loopt mompelend weg. Ik pak zijn hand vast. ‘Hier is een stoel, mijnheer’, licht ik mijn tweede poging toe. Mijnheer wankelt en blijft wiebelend staan. Met een licht druk probeer ik zijn stevige spieren aan te zetten om mee te bewegen en zijn zitvlak op de zitting tot rusten te laten komen. Hij gaat zitten. Ik richt mij tot zijn overbuurvrouw, die mijn pogingen in alle rust met niet knipperende heldere blauwe zwijgzaam volgt. “Wilt u meehelpen om een salade te snijden?’. Ik krijg een ontkennend antwoord. Ondertussen heeft er naast mij een verandering plaatsgevonden. Mijnheer is weer gaan staan en hij lijkt zich te hebben gericht op weer een aantal stappen in de ruimte te zetten. Moet ik nu in mijn eentje hier een plekje zoeken en een salade snijden. Iets wat misschien tot de mogelijkheden behoort. Maar behalve wat extra smaak zou ik deze mensen hier ook een activiteit willen bieden. Is dit dan de geschikte activiteit? Is dit het juiste moment en de juiste afdeling? Ik richt mij tot de laatste kandidaat. Een vrouw die in de woonkamer hiernaast zit. Ik rij verder met de kar.

Zij is blij mij te zien. Dit is wederzijds. Zij is mijn laatste kans. ‘Kijk eens wat ik heb meegebracht’. Ik laat haar de tomaten zien en vraag of zij weet wat dit is. Een riskante vraag. Mocht zij het weten, kan dit overkomen dat ik twijfel aan haar verstandelijke vermogens. Mocht zij het niet weten dan kan ik haar zelfvertrouwen aantasten. Mevrouw weet het niet. Als ik haar mogelijkheden geef weet zij dat het tomaat en komkommer is. Ik begin alles vanaf de kar neer te zetten op de tafel. ‘Kan je niet beter in de keuken gaan snijden?’ Vraagt mevrouw als ik met een opgeheven mes de ronde tomaat wil splijten’. Daar heeft zij een punt mee behaald. Salades maak je in de keuken. ’Als ik in de keuken ben dan zie ik u niet’. Antwoord ik haar. Razendsnel antwoord zij mij. ‘Dan ga ik toch met je mee’.

Ik verhuis opnieuw de spullen naar de kar en loop naar de kleine afdelingskeuken. Op het blinkende roestvrije stalen aanrecht is geen plek. Na wat spullen aan de kant te hebben gezet is er de nodige ruimte en laad ik alles weer van de kar. Mevrouw staat zwijgzaam naast mij. Opnieuw leg ik de tomaat op de snijplank en het mes wordt geheven. Naast mij draait mevrouw zich om en loopt de keuken uit. ’Waar gaat u naar toe?’ Vraag ik haar. ‘Naar de kamer’, hoor ik haar nog zeggen terwijl ze langzaam maar zeker zich van mij verwijdert.

Dit gaat hem niet worden, bedenk ik mij. Met een bijna wanhopig gevoel leg ik alles weer op de kar. De blauwe plastic kom, de messen, de snijplanken, de tomaten, komkommer en de augurken. Ik duw de kar richting uitgang en via de lift bereik ik een verdieping lager. Daar vind ik een vrouw, die in haar eentje met achter brillenglazen schuilgaande blinkende ogen alles snijdt. Doel bereikt.

© Amiad Ilsar.

 

Waarheid of fictie ?

Het is een grauwe middag, grijze wolken raken het grijze asfalt. Het uiteinde van de kale takken van de bomen die aan de weerzijde de lange uitgestorven laan in het stadspark staan lijken de grijze massa lek te prikken, maar geen enkele zonnestraal weet door de gaten door te dringen. Het is koud en stil op deze middag. Op een van de bomen in deze laan hangen de resten van een rood wit plastic lint. Het lint hangt hier enkele dagen en is een stille getuigen van de hectische gebeurtenissen eerder deze week.

Gebeurtenissen die voor mij drie dagen geleden begonnen toen ik een oudere man zag rennen. Het was maandagochtend. Een aantal uren voor ik  naar werk zou gaan, fietste ik een aantal kilometers om mijn lichaam de nodige inspanning te laten leveren. De man rende mij tegemoet. Zijn blauwe trainingspak en zwarte sportschoenen gaven hem een uiterlijk van een iemand die zijn dagelijkse of wekelijkse ronde rent. Terwijl wij elkaar naderde werd het voor mij duidelijk dat mijn beeld van een man, die zijn lichaam aan het trainen is niet klopte. Het beeld werd in eerste instantie verstoord door de gelaatskleur van de man. Zijn witgrijze haarlokken schenen een te zijn geworden met de kleur van zijn gezicht, zijn ogen waren groot en al met al leek het mij dat deze man geschrokken was. Mijn verschijning in zijn wereld leek niet te worden opgemerkt en hij bleef snel in mijn richting rennen, zijn geschrokken blik op het oneindige gericht. Op enkele meters voor mij leek hij wakker te worden, hij remde af, zwaaide uitgebreid met zijn armen alsof hij de grijze deken die om ons heen hing wou verjagen en schreeuwde met een hoge stem. ‘Stop, stop, alstublieft’. In een flits zie ik dat zijn handen rood gekleurd zijn. Bloed? Zijn dampende adem liet grote wolken achter in de koude ochtend lucht. Lucht die volgens de kalender rond deze tijd van het jaar veel warmer zou moeten zijn.

 Een seconde stond hij daar, maar op het moment dat ik tevergeefs terugtrappend naar mijn remmen zocht, leek hij zich te bedenken. Hij draaide zich om en rende het struikgewas in. Inmiddels had ik de fiets met mijn handremmen tot stilstand gebracht. In mijn jeugd had ik vooral terugtraprem fietsten bestuurd en de overschakeling naar handremmen geeft tot de dag van vandaag een vertraging in mijn reactie.

De man was weg. Hij was verdwenen in een massa van kale takken, zijn donkere kleding deden hem doen opgaan in de grijze wereld.

Verward stapte ik van mijn fiets. Het lichaam stond stil de geest maalde door. Wat betekende dit? Wat moest ik nu doen? Mijn hand ging naar mijn broekzak om mijn mobiele telefoon te pakken en via het alarmnummer de wereld in kennis te stellen van deze gebeurtenissen, die zo totaal onverwacht de grijze wereld tot een kleurige massa kleurde. Maar wat moest ik melden? Dat ik een waanbeeld van een rende man had gezien? Het hele verhaal klonk nogal vreemd en het was ook vreemd tot het moment dat ik enkele verder fietste en een lichaam in een strook gras onder de struiken zag liggen.

Het verhaal gaat verder in een razendsnel tempo. Sirenes, mannen en een enkele vrouw gestoken in verschillende kleuren uniformen, rood witte linten, waarvan de resten vandaag nog aan de boom hangen  en een uitgebreid verhoor door de eerder genoemde  geüniformeerde mannen en vrouwen. Het was een heftige ervaring, die gecreëerd in de wereld van mijn geest nog heftiger had kunnen worden, als ik de beschrijvingen had weergegeven waarin ik de liggende persoon zou hebben kunnen hebben aangetroffen.

In mijn bedachte verhaal zou de dader van de moord op de man van middelbare leeftijd, wiens hond later in de buurt werd aangetroffen kunnen worden gezocht in de personage van de wegrennende man. Ik zou het als een wonder kunnen beschouwen dat de moordenaar er vandoor ging en mij niet had aangevallen. In mijn verhaal had ik verder kunnen gaan met alle mogelijke verhaallijnen die uit mijn eigen fantasiewereld kennis met de werkelijke wereld zouden maken met behulp van een toetsenbord en een computerscherm. Het zou mijn verhaal zijn simpelweg omdat mijn naam eronder zou staan. Maar wat had er gebeurt als ik het verhaal had beëindigd met de naam Simon? Wie is Simon een schuilnaam van mij of een auteur met de naam Simon, of geen van beiden? Het zou zomaar kunnen dat Simon, Marie was?

De mens neemt waar en legt relaties. De mens geeft elk moment van zijn bestaan, via de waarneming en de daarop volgende interpretaties betekenis aan de wereld. Al dan niet met opzet kan de mens op een verkeerd spoor terecht komen en een werkelijkheid ervaren, die afbreuk doet aan de werkelijkheid om hem heen.

In het verhaal lijkt het voor de hand te liggen dat de dader de man was die vluchtte? Maar is deze man ook de werkelijk de dader? In de wereld van mijn gedachten zou deze man ook geschrokken kunnen zijn. Verward, geschokt en niet meer in staat helder te kunnen waarnemen en te interpreteren, zou onze sportieve man gewoon bang zijn geweest. Gevlucht uit angst, met bloed van het slachtoffer aan zijn handen, nadat hij deze had vastgepakt om hulp te verlenen.

Met mijn verhaal wil ik de boodschap aan iedereen geven dat het leggen van relaties ons op een verkeerd been kan zetten. Alles wat wij zien, horen en ook lezen kleurt een wereld. Die kleur kan verschillen met de kleur in werkelijkheid. De verhalen van de afgelopen jaren die ik via de toetsenborden van de verschillende computers de wereld in zijn gebracht zijn een creatie van een wereld zoals ik deze heb willen weergeven. Gekleurd door mijn bril. Een objectieve wereld weergegeven in een fictief en subjectief kader. Hoofdpersonen hebben fictieve namen, de relatie met de werkelijkheid bestaat enkel en alleen omdat de betreffende creaties lijken op de in deze wereld levende personen, maar elke overeenkomst met bestaande personen ontstaat door de relatie die de lezer legt.

Om in de toekomst de kans op overeenkomsten met de werkelijkheid te verkleinen zal Simon, die misschien Marie, die misschien Amiad is de blogs gaan schrijven. Wij wensen u veel leesplezier in de toekomst.

©Simon.

De laatste reis van Max

“Ik zeg je het maar even zo, gisteravond is Max overleden”, op deze wijze krijg ik zondagochtend via het voicemail van mijn mobiele telefoon het bericht over het heengaan van Max. Max is 63 jaar geworden. Een mooie leeftijd voor iemand met een Down syndroom. Hartproblemen hebben een eind gemaakt aan het leven van een kleurrijk man.

Max was net een paar uur naar het hospice overgebracht toen hij stierf. Op vrijdagavond de sjabbat verliet hij deze wereld. Hoe toepasselijk werd er die sjabbat in de synagoge’s over de reizen van het Joodse volk in de woestijn gelezen.’ De reis van Max zit er nu op. Net als het Joodse volk heeft Max veel gerezen en op deze reis heeft hij veel mensen ontmoet’. Deze woorden zijn niet van mij, maar van de rabbijn, die de begrafenis op maandag leid.

We staan op een voor mij bijzondere begraafplaats. Nijkerk, Nijkerkerveen, welke gemeente het ook precies mag zijn. Verborgen achter een gietijzeren hek aan een smal kronkelend landweggetje, waar met veel lawaai tijdens de ceremonie voor de ter aarde stelling van onze Max een landbouwtrekker voorbij rijdt. Op deze begraafplaats, die onder de verantwoordelijkheid van de Joodse gemeente Amersfoort valt brengen wij Max naar zijn rustplaats.  Onder een flinke laag lichtbruine aarde vermengd met veel zand in een ruw houten kist vol splinters eindigt een reis. Het is een drukke begrafenis. Behalve de vele medewerkers, die vanuit de instelling Max kennen, heeft de Joodse Gemeente Amersfoort ervoor gezorgd dat er minstens tien Joodse mannen zijn zodat we Max met alle benodigde gebeden kunnen begraven.  In gebed begeleiden wij allen de ziel van Max naar een andere wereld.

Het is zondagmiddag als Max voor het laatst de eetzaal van de instelling waar hij de laatste achttal jaren heeft gewoond betreed. Na een ochtend waar ik allerlei mensen telefonisch op de hoogte heb gebracht van het heengaan van onze Max, kom ik tegen twee uur bij de instelling aan. Ik heb geen idee wat ik moet verwachten. Het is de eerste keer dat ik een afscheid bij een woonvoorziening meemaak. Begrafenissen waren er genoeg. Trieste plechtigheden waarbij afscheid werd genomen door soms een handjevol, dat de laatste reis van een mens met een beperking hadden meegemaakt. Eenzame begrafenissen waren het, waar de leegte van het leven op een grasveld werd bedekt met zand en aarde.

Er waren begrafenissen waar ouders het verdriet van een niet uitgekomen droom konden wegspoelen aan het graf van hun kind. Vaak waren er alleen moeders en of vaders de prijs van een kind met een beperking werd zichtbaar in een verbroken huwelijk.

Meestal waren het begrafenissen waarbij ik afscheid nam van mijn vrienden. De meeste van mijn vrienden waren Joods en in het Joodse geloof is het verboden om het lichaam te cremeren. Dit omdat wij ons moeten voorbereiden voor een opstanding, wanneer de Messiach zal komen. Begrafenissen waar ook meestal tijdens de uitvaartceremonie gebeden werden gezegd, die alleen maar konden worden uitgesproken in het bijzijn van tien Joodse mannen. Op deze zondagmiddag worden er geen gebeden uitgesproken. En als de zwarte lijkwagen de smalle straat in komt rijden is het de stilte die Max begeleid.

Tientallen mensen staan bij de trap en de oprit van het gebouw om en erehaag om onze kleine dappere man, met zijn ronde buik en ronde brillen glazen te ontvangen. Dit is de aandacht die hij altijd zocht. In de schijnwerper van het leven, in het middelpunt van de aandacht. Het luisteren naar zijn shows, zijn vertolkingen van MIes Bouwhuis, zijn gebeden bij de sabbatvieringen. Aandacht die hij ook ooit zocht door hartaanvallen na te bootsen en medische teams te mobiliseren.

Max was ooit de postbode. De postbode van het dagcentrum waar ik ruim tien jaar geleden Max voor het eerst leerde kennen. Met een rode tas van wat toen nog de PTT heette bracht hij elke ochtend post op de verschillende groepen langs. Op deze manier kreeg hij een grote aandacht en kon hij met vele medewerkers en cliënten een praatje maken. Ook met de directeur bij wie hij als even de kans kreeg met lawaai de kamer in walste.

Directeurs, medewerkers, medebewoners, familie van bewoners, hij wist van iedereen de aandacht op te eisen. En nu op deze zomerse zondagmiddag heeft hij zo lijkt het een maximale aandacht. De aandacht van velen met wie hij de laatste jaren het leven heeft gedeeld. Medebewoners en medewerkers. Medewerkers die hem in de laatste fase van zijn wereldse reis hebben gekend als een angstige onzekere en verwarde man. Een man die ik zittende in zijn rolstoel bij mijn laatste afscheid bij de drempel van de deur heb achtergelaten. Hij wou vanuit de woonkamer de drempel van de aangrenzende eetkamer over. De kamer waar hij nu in gelegen in een kist afscheid van een ieder neemt. In deze kamer at hij vele jaren zijn koosjere maaltijden. De kip waar hij zo dol op was. De niet koosjere frikadellen en kroketten, wist hij wel op andere plekken te vergaren.

Op deze zondagmiddag deze korte indrukwekkende plechtigheid, waarbij iedereen langs de kist loopt, weet een enkele medebewoner zijn verdriet te uiten. Het is de stilte die overheerst. De stilte die met het vertrek van Max ook in de nabije toekomst zal blijven bestaan. In stilte rijden we de kist weer naar buiten, terwijl er opnieuw een erehaag voor Max wordt gevormd. Aangekomen bij de lijkwagen onderaan de oprit, wacht ons een verrassing. Een verrassing die alleen jij, Max ons zou kunnen verzorgen.

Bij de wagen met de open achterklep is geen enkele medewerker van de begrafenisondernemer aanwezig. De twee heren in het zwart zijn verdwenen. Daar staan we dan met een kist aan de rand van de weg. Een prachtig beeld van tientallen mensen die vanaf de trappen een blik werpen op wat komen gaat. Nog even staat Max in de schijnwerpers, totdat twee zwarte gedaanten weer vanuit de verte opdoemen. Met behulp van enkele mannen zijn het deze mannen in het zwart die Max uiteindelijk weer meenemen.

Met een aantal mensen lopen we vervolgens achter de auto aan, die stapvoets de straat uitrijdt. Dan gaat de auto de hoek om verdwijnt Max voorgoed uit het leven van velen. “Dag Max’.Ik zeg je het maar even zo. “ Max je was geweldige kerel en ik blij je te hebben gekend en een heel bescheiden rol in je leven te mogen spelen’.