Categorie archief: uit het leven

Verwerkingstijd

Nee. Het is het eerste woord wat ik wil zeggen als ik via de telefoon hoor dat jij bent overleden. Nee. Het woord wat zo met jouw verbonden was. Het woord wat je soms versterkte met een handgebaar. Nee, was het stopwoord wat je tijd gaf om aan een nieuwe situatie te wennen.

In de huidige snelle wereld van het 4g internet, was je een buitenbeentje. Jij was meer van de Slow motion en het hippe slow food. Ik herinner mij een beeld van 2001. In Amersfoort een locatie in de bossen. Ik heb in die tijd vanuit het lokaal waar ik een deel van je woongroep activeer, uitzicht op een wandelpad. Achter het wandelpad was het altijd groen met de naaldbomen. De groene wereld werd verrijkt met een dierenwereld. Konijnen om wel te verstaan. Deze stonden aan de rand van het pad. Jij gaf als deelneemster van de tuingroep, eten aan de konijnen. Jij liep in de ochtenden met een voerbakje over het pad naar de hokken. Je tempo was langzaam. Maar je was doelgericht. Je was erg aan je werk gehecht en deed dit heel nauwkeurig en trouw.

Mijn herinneringen zijn vooral toegespitst op de tijd dat je met mijn gezin en mij een keer in de maand naar sjoel ging. Je woonde toen al in Amstelveen. Het was een tijd zo ergens tussen 2011 en 2017 waarin wij rond half tien in de ochtend je kwamen ophalen. Vaak zat je met je eten nog voor je op de diep donkere bruine tafel, terwijl de anderen van de groep al klaar waren. Een periode had je een bijzondere klok naast je staan die met een rood vlak, visueel de overgebleven tijd aan gaf. Vaak was die al verlopen, als je nog de laatste happen of slokken moest nemen.

Als je klaar was gingen we naar sjoel. Je wou graag als steun een arm hebben. je koos daar iemand voor uit. Mijn dochter. Voetje voor voetje, bij oversteek plaatsen met je voet voorzichtig aftasten, liepen jullie arm in arm de kleine kilometer heen en weer. In sjoel volgde je het gebeuren vanachter de tafel het gordijn vanuit het vrouwengedeelte.

Het ging in de laatste  periode dat ik je kende steeds een beetje slechter. Je gezondheid, je fysieke gesteldheid en je cognitie het werd steeds iets minder. Totdat je niet meer naar sjoel ging, je verhuisde weer naar een andere woonvoorziening. Een plek met meer zorg. Daar ben je afgelopen dinsdag onze wereld verlaten.

Ik kende je niet alleen vanuit de wandelroutes. Ik kende je van de feesten in de Joodse liberale gemeente waar je genoot van de muziek en de sfeer. Ik kende je van de bijzondere Chanoeka ontmoetingen in de woonkamer van jouw woongroep. Daar in de huiskamer zag ik hoe je genoot van de aandacht van mijn oud collega en haar zonen- die ik elk jaar weer een stukje verder zag groeien- contact hield. Je genoot van hun aanwezigheid en van de door hun meegebrachte cadeaus. De glans van het cadeaupapier, en het moment van de onthulling van de verrassing.

Het laatste beeld van hoe je kon genieten is digitaal opgeslagen. Anderhalve maand geleden. De zomer BBQ, die we dit jaar een maand eerder hebben gedaan dan normaal. Niets is toevallig. Op de foto zien we een bewoner van de groep en jou. Twee werelden die achter elkaar zijn verdwenen. Het is moeilijk te bevatten. Nee, dit is niet fijn. Dit is heel verdrietig. Maar we zullen er helaas wel aan moeten wennen. Alleen hebben ook wij nu even verwerkingstijd nodig.

© Amiad Ilsar.

 

Advertenties

17.50

Mijn verhaal begint op een Duitse weg. Na een korte vakantie zijn we weer op weg terug naar Nederland. Het is 17:50 ik kijk op de klok voor mij op het dashboard. Nu heb ik een ijkpunt. Hoe lang ik onderweg ben. Belangrijk voor een eventuele rustpauze. Belangrijk voor misschien overbodige vraag na afloop. Hoe lang wij erover heb gedaan. Nog enkele uren en we zijn thuis.

Na een nachtrust sta ik vroeg op ik breng de auto naar de garage. Ik loop naar huis en kijk naar boven. Ondanks de al fel schijnende zon staat er nog een halve maan aan de hemel. Een vliegtuig beweegt zich van recht naar links.

De maan doet mij denken aan de zin uit een bekend Israëlisch liedje. ‘Kijk naar de maan, daar is een mens’.

Je hield van Israëlische liedjes. De muziekavonden. Je hield van de ontmoetingen begeleid met Israëlische muziek in de Liberaal Joodse Gemeente. Deze voorliefde is niet vreemd. Je werd in 1945, in Israël geboren. Tot je dertiende groeide je daarop totdat je verhuisde naar Zwitserland. Ook ik ben ooit geboren in Israël. Ik groeide vervolgens hierop ging naar Israël terug en in 2001 koos ik Nederland weer uit als woonplaats. In dat jaar kwam ik je voor het eerst tegen. Je naam Ruthi, voelde goed, gaf mij een diepere binding. Het was een naam die ik uit Israël kende.

Onze ontmoetingen waren vooral in de wandelgangen. Je woonde toen in de woongroep Etrog. Daar en ook later in Amstelveen vond je het geweldig om zelfstandig boodschappen te doen.  De ontmoetingen in de wandelgangen vonden plaats omdat je daar dagbesteding kwam doen. Deze bestond uit borduren, memory en puzzels. Je ging ook mee wandelen. Je duwde dan soms de rolstoel van je maatje Sjalom, die bij mij in de groep van Chalav oe Dwash zat.

Deze naam is gebaseerd op het land Israël, het land van melk en honing, zoals het genoemd wordt in het stuk uit de Thora, wat morgen in de synagoge wordt gelezen.

In de wandelgangen probeerde je altijd contact te maken. Geluiden, gebaren, oogcontact en losse woorden, waren je middelen om dat te doen. Het leek mij altijd dat je een voorkeur had voor mannen. In ieder geval wist je mij soms te verrassen en mij in mijn kruis te grijpen. Als ik je dan vermanend toesprak wist je een onschuldig gezicht te trekken en ‘nee’, te schudden.

Je begreep meer dan je kon verwoorden. Je moedertaal was Ivriet, Hebreeuws. Na een zesjarig verblijf in Zwitserland kom je op 19-jarige leeftijd in het Sinaï in Amersfoort terecht. Nu moest je Nederlands leren. Met je verstandelijke vermogens was dat een hele klus. Maar communiceren deed je vooral ook zonder woorden.

Jij was vroeger overal waar mensen waren. Je hield van mensen. Je was ook een zorgzaam persoon. Hielp bij het geven van eten en drinken aan andere bewoners, die dat niet alleen konden. Waar mensen zijn gebeuren dingen. Je was nieuwsgierig van aard, wou alles weten, beleven en zien.

Ondanks de fysieke afstand met je broer in Israël bleef er een band. Het vliegtuig dat bij de maan zichtbaar was, zou de band tussen jullie kunnen symboliseren. Je broer vloog hiernaartoe en jij twee keer naar hem. Je bezocht Jeruzalem, Nethanja en Tel Aviv. Je broer hield ook contact met je via skype.

Het was afgelopen maandag toen ik een appje kreeg dat het slecht met je ging. Ik was blij, om ondanks mijn vakantie op de hoogte te worden gesteld. In de dagen daarna, begreep ik bleef het slecht gaan. Ik vroeg in stilte, kijkende richting de blauwe hemel boven de door de droogte lijdende bomen dat je het nog even uithoudt. Hoopte nog even afscheid van je te kunnen nemen.

Het was gisterenavond even na tienen. Ik bel de woning. ‘Leeft Ruthi nog?’, vraag ik. Jouw verhaal eindigt als ik hoor dat je om 17:50 bent overleden.

Moge jouw ziel worden opgenomen in de bundel van het eeuwige leven.

© Amiad Ilsar.

De worsteling met het verleden

Verleden week kreeg ik een mailbericht, of een collega of ik, of beiden, het verzorgingshuis zouden kunnen vertegenwoordigen bij de jaarlijkse Holocaust herdenking in Amsterdam. Wil ik?

Het is de week dat ik vertelde over het bezoek aan de vrijwilligster in Duitsland. Een bezoek waarin ik mij probeerde te ontworstelen aan de gevoelens van het verleden en vooruit te kijken.

Het is de week waarin wij op de zaterdagochtend naar de synagoge gaan. De sjabbat. De dienst is afgelopen en we zitten met een gezelschap- mannen, vrouwen, kinderen- aan de lange tafels en doen ons te goed aan de op de tafel uitgestalde versnaperingen. Een gast, die de lange weg vanuit Limburg naar Almere heeft gemaakt neemt het woord. Met een Duits accent vertelt hij wat over zijn lange reis. De reis van zijn leven.

Familie geboren in Duitsland, in de buurt van Frankfort. Moeder overleefde de oorlog. Haar eerste man heeft de oorlog niet overleefd. Later trouwt ze met een niet Joodse man, de vader van de man. Ze proberen een leven op te bouwen in het Franse Elzas gebied. Vader, die journalist was, publiceert stukken, die de autoriteiten liever geheim houden en vader wordt veroordeeld. Er volgt een zware tijd zonder de inkomsten van de vader, moeder zwerft met de kinderen over straat. Maar zo is de boodschap van de moeder, als je valt kijk je niet achterom, maar sta je op en ga je verder. Vertel vooral nooit dat je Joods bent. Het verhaal gaat verder en mijnheer vertelt al lopend door de ruimte over hoe hij veel later in zijn leven in Amsterdam terecht komt. Hij krijgt van zijn werk een adres om woonruimte te huren. De plek bevalt hem en hij tekent een contract en betaalt een voorschot. De volgende dag als hij terugkeert met wat spullen staan er twee grote kerels en die vertellen hem dat het een vergissing is. Aan Duitsers bieden ze geen woonruimte. Zijn geld krijgt hij niet terug. Als je valt kijk je niet om en vertel je vooral niet dat je Joods bent. Hij onthield de woorden van zijn moeder. Het verhaal gaat verder. Mijnheer vertelt hoe hij trouwde met een niet Joodse Limburgse vrouw. Na een achtendertig jarig huwelijk gaan ze uit elkaar. Meneer is terug gekeerd naar zijn wortels. Is stap voor stap orthodoxer geworden en mevrouw heeft alleen het begin met hem kunnen meelopen. De weg is te lang voor haar geweest. Tenminste zo kunnen we opmaken aan het verhaal van mijnheer.

Een week later. Zaterdagmorgen. Sjabbat. De synagoge in ziekenhuis Amstelveen ruim dertig kilometer verder. Er is een speciale dienst. De viering  van de tachtigjarige verjaardag van een bekende Nederlandse rabbijn. Na de dienst als een groot gezelschap zich aan een lunch te goed doet wordt hij toegesproken door een andere rabbijn. Deze vertelt over hoe de jarige in zijn binnenzak altijd met een foto van zijn in de oorlog vermoorde moeder loopt.

Duitsland, de tweede wereldoorlog, hij is ook voor mij nog steeds aanwezig. Ik probeer mij eraan te ontworstelen, wil niet steeds eraan worden herinnert. Het heeft voor mij geen functie meer. Ik weet het wel. Ik wil vooruit, niet meer achteruit kijken. Wil geen herdenkingen, wil geen verhalen meer horen. Terwijl tegelijkertijd ik weet hoe belangrijk het is voor de volgende generatie, voor de toekomst om het verleden te koesteren. Twee collega’s gaan naar de herdenking.

© Amiad Ilsar

Warme verse stroopwafels

Stroopwafels. Dat is een typisch lekkernij dat je meeneemt naar vrienden in Duitsland. De alle lekkerste zijn het vers gebakken nog vaak warme stroopwafels. Echter waar krijg ik die in Almere. Ik herinner mij dat op woensdagen er op onze plaatselijke markt een kraam staat waar verse stroopwafels worden gebakken.

Daarom loop ik nu met mijn dochter richting het stadhuisplein. Het stadshuisplein dient twee keer per week als marktplein. In Almere Haven staat de markt een keer per week op een plein met de naam markt. In andere steden heb je vaak een marktplein, maar hier in Almere stad komt de markt twee keer per week lang bij het stadhuis.

Het is nog stil op deze vakantiedag om even na tienen. Ik ben meteen aan de beurt en koop twee pakjes wafels. Als ik hier nu toch ben dan een pak voor de vrienden en een voor ons. De verkoper met donker bruine ogen, baard en getinte huidskleur, geeft mij een gratis zak met brokjes wafel. Heel aardig maar ik moet nu met een flinke lading van de ronde koek met de vierkante ruitjes, meeslepen in mijn rugtas. Met mijn rugtas ben ik onderweg naar een festival voor de ouderen onder ons. Een for ever young festival. Ondanks mijn vakantie vond ik dit wel een uitje die onder de noemer vakantieplezier kan worden geschaard. Ook kan het festival voor mij de persoonlijke grens van scheiding werk en privé doorstaan.

Het is warm op deze woensdag in augustus, net als twaalf jaar geleden toen mijn dochter op deze dag geboren werd. De zon verwarmt de lucht, mijn rugtas en dus ook de stroopwafels. Onze vrienden krijgen warme stroopwafels uit Almere.

Vrienden die alles te maken hebben met dit festival. Het zijn geen 65 plussers, de doelgroep van het festival. Nee, het zijn de ouders van een vrijwilligster- het meisje met de paardenstaart- die twee jaar geleden in het verzorgingshuis een jaar mooi werk met onze cliënten heeft verricht. Voor hen een zoete lekkernij, die mij herinnert aan een mooie tijd van samenwerking met hun jongste dochter.

De vrijwilligster van deze organisatie voor dit jaar heeft helaas vroegtijdig afgehaakt anders zou ze waarschijnlijk ook in de bus zitten die op twee verschillende plekken de ouderen uit laat stappen. De buschauffeur is gek op simpele oplossingen. Hij kiest ervoor om de minder goed ter been zijnde cliënten op een andere plek af te zetten dan de niet ter been zijnde cliënten. Hij heeft misschien ooit bij de belastingdienst gewerkt. Makkelijker kan hij het niet maken.

Nadat we het festival terrein wat ik ken van kermissen, open dagen van hulpdiensten en straattheater zijn opgelopen en we bij de centrale tent komen, zie ik een eet tent aan de linkerkant van het podium.

Verse stroopwafels staat er op de luifel.

© Amiad Ilsar.

De gebedskleedzak

In het Jodendom is het gebruikelijk dat elke mannelijke bezoeker boven de kerkelijke meerderjarige leeftijd van dertien jaar een gebedskleed draagt. In elke synagoge zijn er leen gebedskleden, maar de meeste mannelijke bezoekers nemen hun gebedskleed mee van huis. Er zijn speciale stoffen tasjes waarin deze kleden kunnen worden bewaard en meegenomen. Meestal heeft de zak een geborduurde opdruk. Dat maakt dan vaak ook het onderscheidt tussen de zakken, omdat de meeste zakken van een blauwachtige tot zwarte stof zijn gemaakt.

De man, die ik deze en andere zaterdagochtenden naar de synagoge begeleid, heeft een eigen gebedskleed in zoals te verwachten in een donkerblauw zwartachtige stoffen tas. Samen met de man lopen nog cliënten met mij mee. Alle drie oudere volwassenen met een matige verstandelijke beperking.

De synagoge heeft zoals elke traditionele orthodoxe synagoge voor mannen en vrouwen gescheiden gedeeltes. Ik breng mevrouw naar de dameskant en loop naar binnen bij de mannen zijde. We gaan zitten op een rij stoelen zonder tafels en nemen deel aan het gebed. De man naast mij heeft een leengebedskleed van de synagoge gekregen, te herkennen aan de naam van de synagoge die er met zwart op beide hoeken aan de binnenkant is opgeschreven. Ik vraag mij af waar is de zijne. Hij is mede daarom en vanwege zijn autistische stoornis, erg gespannen. Enkele keren wil hij opstaan en naar buiten gaan om zijn gebedskleed te ruilen. Een bezoeker van de synagoge, die schuin tegen over ons zit vertelt hem dat aan het eind van de dienst wij naar zijn gebedskleed op zoek gaan.

Het is vreemd. De man is hier gekomen met een lege gebedskleed zak? De begeleiding heeft niets gemerkt? De man die mede door zijn autisme zo scherp is op veranderingen in de omgeving heeft mij niets verteld bij binnenkomst? En is hij vorige keer naar huis gekomen zonder gebedskleed?

En dan staat hij op. Met snelle pas verdwijnt hij uit zicht. Ik volg hem en kom hem buiten op de gang tegen. Nog voordat ik bij hem ben heeft hij zich ontdaan van het gebedskleed komt hij terug met een ander gebedskleed. Ik controleer de hoeken, geen naam van de synagoge. Dat zou zijn eigen gebedskleed kunnen zijn. Ik ben er echter niet gerust op. Dit lijkt niet het gebedskleed van de man. Maar als hij overtuigd is, dan ben ik zeker in de war. Ik vertrouw op het analytisch vermogen van de man. Samen lopen weer terug naar onze plek.

Een aantal minuten daarna staat de man met de autistische stoornis opnieuw op. Hij loopt naar de tafel, die haaks op onze rij staat. Er liggen twee gebedskleed zakjes op de hoek. De man naast mij pakt het bovenste lege gebedskleedzakje op. Hij haalt er een zwart band uit, die gebruikt wordt voor het samenbinden van een gebedsrol. Wat doet die in zijn gebedskleedzakje, vraag ik mij af. Het verhaal wordt met de minuut vreemder.

Echter de tijd verstrijkt zonder verdere ontwikkelingen. Aan het eind van de dienst vouwen alle aanwezigen mannen hun gebedskleed en iedereen doet deze terug in zijn eigen meegenomen zak of leggen deze in de kast. Het gebedskleed van de man naast mij wordt door hem keurig opgevouwen en samen met de zwarte band in de tas opgeborgen.

We gaan naar de andere ruimte waar kiddoesj, de zegening over de wijn wordt uitgesproken. Een dame met een gevouwen gebedskleed in haar handen loopt op ons af. ‘Is dit gebedskleed soms van deze meneer’, vraagt ze in gebroken Nederlands. ‘Hij heeft het gebedkleedzakje van mijn man. Er ligt in het andere gedeelte een gebedskleed zak op de tafel’, ze loopt weg en komt met haar man terug.

We overhandigen de gebedskleedzak van de man en wij krijgen een andere zak in dezelfde kleurschakeringen er voor terug. We kijken erin en zien een net opgevouwen gebedskleed, dat wordt herkend door de man met de autistische stoornis. Mysterie opgelost.

© Amiad Ilsar.

 

 

Wat is Chanoeka ?

Wat is Chanoeka?

Chanoeka is het inwijdingsfeest. Gerelateerd aan een overwinning op de Hellenistische cultuur, die individuele verschillen wou laten opgaan in een algemeen kader. Chanoeka spreekt van een verwoeste de tempel die opnieuw werd ingewijd.

Chanoeka is een feest waarbij er naar buiten wordt getreden. Het is een feest waar een gebruik is om het licht naar buiten te laten stralen. We zetten de kandelaar voor het raam en wij steken de laatste jaren de kaarsen aan in algemene ruimten. Op het moment dat we dit doen maken we ons zichtbaar en tegelijkertijd ook kwetsbaar.

Klopt dit? Klopt de aanname dat je je als minderheid kwetsbaar maakt als je laat zien waar en wie je bent? Klopt het dat als men weet wie je bent je kwetsbaar bent? Het gevoel zegt dat dit zeker zo is en er zullen heftige tijden en extreme situaties zijn dat je je als minderheid moet verbergen. Soms kunnen we en moeten we ons in de duisternis verplaatsen, onze gebruiken in duisternis uitvoeren en de duisternis gebruiken als voorwaarde om te kunnen overleven.

Echter dat overleven is tijdelijk want een cultuur, religie een zorgstaat kan niet voor altijd overleven in de duistere kant van ons bestaan. Dit geld voor heel veel wat bloeit en groeit in deze wereld

Het is nog niet zo heel lang geleden dat de zorg voor de zwakken, de mensen die onze hulp nodig hebben in de maatschappij geplaatst werden. De algemene visie was om deze doelgroep niet midden in het licht maar ver weg in de bossen te plaatsen. Niet in het zichtbare gedeelte van de maatschappij maar achter de geraniums van voor buitenstaanders gesloten instellingen. Ze waren niet zichtbaar en daarmee waren hun werkelijke behoeften niet voldoende te vervullen.

Met het integreren van de zwakkere medemens in onze eigen wijken dichtbij het dagelijkse leven begon een proces dat vandaag de dag verder gaat. Vanuit de instellingen vanuit de woningen met de geraniums op de vensterbank werd duidelijk wat er nodig was en wat er mogelijk was. Maar dan waren er meer mensen nodig. De zorg werd mede door de groei van onze behoeftige medemens te duur. Als oplossing werd de participatie van familie en vrijwilligers gevraagd. Het samen doen, het samen zorgen met elkaar is een steeds duidelijkere ontwikkeling geworden.

Chanoeka vieren we samen met elkaar, met familie, vrienden met de gemeenschap. De kandelaar van Chanoeka heeft meerdere armen. Meerdere kaarsen. We zijn allemaal individuen en vormen samen een grote gemeenschap.

We doen het samen. Dragen samen de zorg voor elkaar. We leven samen. Verlichtten samen de wereld. Zichtbaar en open. Onze daden, onze creaties, onze zorg, ons zijn is zichtbaar. We zijn wie we zijn en mogen zijn wie we zijn met respect naar de ander. In een maatschappij, die steeds meer polariseert kunnen we relateren aan de kandelaar en stellen dat de eerste en laatste kaars zijn verbonden met nog zes en als we de hulpkaars meerekenen zeven kaarsen. Van de eerste tot de achtste dag steken we steeds meer kaarsen aan en groeien we in onze ontwikkeling en verbinden we uitersten.

Het proces begint met de eerste kaars aan de rechterzijde komt tot leven met behulp van de hulpkaars. Hij kan zichzelf niet aansteken. Een ander brengt hem en de opeenvolgende kaarsen het licht. Het is die ander die hem laat schijnen. Het is de ander, anders dan wij zelf die ons verlicht. De zorg voor de ander, het contact met de ander verbindt ons tot een groot geheel waarin uitersten samengaan tot een groot verlichtend geheel van aparte individuen. Iets wat gezien mag worden.

Dat is Chanoeka.

Chag Sameach @Amiad Ilsar

 

 

Kerst

Het Jodendom kent vele feestdagen. En na het verdwijnen van het loofhuttenfeest verschijnt al snel Chanoeka aan de horizon. Een feest met vele facetten. Het brengen van licht in de duisternis is er een van. Kaarslicht. Geen sterlicht en geen lichtjes aan bomen. Het is Chanoeka, geen Kerst.

Het Chanoekaverhaal vertelt over de herovering van de ontheiligde Joodse tempel in Jeruzalem. Na de herovering vind men in de door de Syriers verwoeste tempel een kruikje olie. Het kruikje is verzegeld. Een wonder. Kosjere olie. Echter de hoeveelheid olie in het kruikje is geschikt voor een dag.Om nieuwe olijfolie te maken, waarvan de zevenarmige kandelaar in de tempel opnieuw kan branden waren acht dagen nodig. Een wonder. De olie in het gevonden kruikje brandde acht dagen lang.

Om dit alles te vieren branden we elke avond de Chanoekia ook wel negenarmige kandelaar genoemd. Waarbij elke dag er een kaars meer wordt gebrand. De kaarsen steken we aan met een hulpkaars, zodat er al op de eerste avond twee kaarsen branden. De laatste avond brand de gehele kandelaar. Negen kaarsen in totaal. De beleving delen we met de buitenwereld. De kandelaar zetten we voor het raam.

Chanoeka valt altijd geheel of gedeeltelijk in december. Een enkele keer valt Kerst en Chanoeka zoals dit jaar samen. Een periode. Twee feesten.

Elk feest met zijn eigen symbolen. De Chanoekia, de kerstboom. Het lijkt duidelijk. In de praktijk is dat echter niet altijd zo. Er zijn Joodse mensen waar zowel de Chanoekia als de kerstboom de huiskamer siert. Mij is dit verwarrend. Een kerstboom hoort bij kerst en kerst vier ik niet. Nu niet meer.

Ergens in mijn jeugdjaren het moet voor mij tiende zijn geweest leerde mijn zus en ik op een openbare Montessorischool in Amsterdam. Onze moeder groeide na een onderduiktijd op in en gezin dat een socialistisch communistisch achtergrond had. De kennis van het Jodendom was gering. Onze vader was opgegroeid in een socialistische Kibboets ook hij had geen kennis van het Jodendom. Het is dus niet vreemd dat we als kind nauwelijks wisten dat we joods waren. Vanuit deze situatie was het niet vreemd dat ergens in de periode tot onze tiende jaar we zelfs een klein nepboompje in de woonkamer hadden staan. Zonder piek dat wel.

Vanaf mijn tiende ging er een nieuwe wereld aan mij open. Ik werd een leerling op de Joodse school in Amsterdam Buitenveldert. Ik leerde Hebreeuws lezen en ik leerde godsdienst. Samen met deze kennis kwam het bewustzijn dat ik Joods was. Anders dan de doorsnee Nederlander. Voor mij geen kerst. Geen kerstboom. De manier waarop ik mijn hernieuwde identiteit verkreeg was een wij tegen een zij.

Wij leerden Hebreeuws, wij zaten achter een hek, wij werden beveiligd. Wij vierden Joodse feestdagen en Sinterklaas.  Sinterklaas was een feest wat wel werd gevierd. Het was een kinderfeest. Wij zongen liedjes zette onze schoen en ik liep ’s nachts de trap af om te kunnen zien dat er een cadeau in onze schoen lag. Vervolgens deed ik in de ochtend geheel verrast en speelde het spel mee. Dat het Sinterklaasfeest eigenlijk een katholieke heilige draaide werd niet vermeld. Zo waren bij Joodse Sinterklaasen geen tekenen van een kruis op een mijter te vinden. Chanoekaklaas werd het als grap genoemd.

Kerst was zonder dat duidelijk werd uitgesproken echt een feest wat kenmerkend niet voor ons was. Kerst stond voor alles wat wij niet waren.

Aan de andere kant was Kerst een feest waar naar mijn gevoel stiekem veel Joden van genoten. Van de verlichtte bomen en versieringen, maar wie in huis een boom haalde was  erg ver van het jodendom verwijderd en dit gedrag werd in de gemeenschap afgekeurd. Een boom in huis halen stond gelijk in het opgeven van je Joodse identiteit en dat is het natuurlijk ook.

Kerstmis is niet van ons. Kerstmis ook niet een feest wat gelinkt is aan moslims. Juist op de dag dat ik bezig ben het uitwerken van deze tekst krijg ik een appje of ik na het werk mijn dochter bij haar vriendin wil ophalen. Dat kan en ik bel rond half zeven, die dag aan bij de voordeur van deze islamitische vriendin. ‘Kom binnen, ze eet nog even wat’. Deze boodschap van de moeder leidt mij naar de woonkamer. Daar zit mijn dochter op de bank, bord op schoot, starend naar de televisie. Naast haar een verlichte kerstboom, met ballen en een piek.

© Amiad Ilsar