Categorie archief: dementie

Een onbewaakt moment

Het is enkele minuten over half vier. Ik loop door de binnentuin in de richting van de eetzaal. Deze zaal, die dagelijks plaats bied aan ongeveer vijftig bewoners. Vanmiddag heeft de zaal gediend als activiteitenruimte. Elke maandag wordt er onder trouwe leiding van een aantal vrijwilligers een sing alone gehouden. Dat wil zeggen er wordt een CD met muziek gedraaid en daar wordt dan meegezongen. Vandaag waren er ruim twintig bewoners, bijna de helft lijden aan dementie en zijn onder begeleiding van de afdeling naar beneden gehaald. Nu ben ik hier om de bewoners weer naar boven te begeleiden. 

Op het moment dat ik mijn entree maak, zie ik enkele meters voor mij een vrouw achter een rollator, ze stevent op de andere uitgang van de eetzaal af. De laatste weken schuifelde ze langzaam achter haar rollator vandaag loopt ze echter snel en is het duidelijk dat ik haar misschien nog maar net kan tegenhouden de openstaande liftdeuren te bereiken. Ik neem een spurtje, maar enkele tientallen centimeters voor de lift, sluiten de deuren. Ik druk op de knop, maar het is net als de trein, een dichte deur gaat niet meer open. Daar sta ik dan. Wat nu? 

De belangrijkste vraag is stapt mevrouw op de juiste etage- de derde- uit ? De lift is een aantal maanden geleden opgeknapt. Een deel van de opknapbeurt was een indicator waar de lift zich bevindt. De blauw verlichtte display geeft 0 aan. Vervolgens gaan de nummers oplopen. 1,2 en bij 3 lijkt de lift tot stilstand gekomen. Mevrouw heeft de etage waar ze woont bereikt. Inmiddels is de tweede lift naar mij afgedaald. De deuren gaan geruisloos open-een gevolg van de opknapbeurt- en ik begeef mij naar de derde etage. Boven aangekomen staat mevrouw bij een geopende toegangsdeur.  

Deze toegangsdeur is te openen door de klink naar beneden te bewegen en het slot tegelijkertijd naar je toe te draaien. Twee handelingen die het niet eenvoudig maken voor iemand met beperkte cognitieve en fysieke vaardigheden de deur te openen. Maar het is mevrouw gelukt. De deur is open en nu worstelt ze om met haar rollator om zich door de geopende ruimte te worstelen. Ik kan haar helpen en hou de deur voor haar tegen. Het tempo van mevrouw is gedaald en stap voor stap gaat ze de gang van de afdeling op en kan ik de deur sluiten.    

Al met al een bijzondere gebeurtenis. De vrouw wordt bijna dagelijks naar boven en beneden gebracht. Ze is dementerend en daarom wordt er misschien aangenomen dat ze niet zelfstandig zich door het huis kan voortbewegen. Een onbewaakt moment laat zien dat ze nog een verborgen potentiele mogelijkheid heeft, die ons en haar kan helpen. Hier ligt een stuk zelfbeschikking te geven, wat we al dan niet onbewust van haar af hebben genomen. 

© Amiad Ilsar. 

Advertenties

De voetballer

Ze zitten in de binnentuin. Hij een man, client met dementie en zij een jonge vrouw die hier een half jaar vrijwilligerswerk doet. Een roodharig geverfde jonge vrouw, een man met grijs haar.  Hij geboren in Israël, zij in Duitsland. Samen zitten ze naast elkaar en praten in het Duits.

 Duitssprekende bewoners verwachtten we hier niet. De man heeft echter voetbal in Duitsland gespeeld. Als Jood voetbal spelen in het Duitsland, de eerste Israëlische voetballer in Duitsland, misschien in heel Europa. Twintig, misschien dertig jaar na het einde van de oorlog dat was bijzonder. In die jaren kon mijn moeder, die aan de Jodenvervolging was gered door het feit dat ze ondergedoken heeft gezeten niet eens een auto met Duitse kenteken zien. Misschien heeft de man nog meer in Duitsland gedaan, dat weet ik niet. Maar waar het om gaat is dat hij ondanks zijn dementie nog goed Duits weet te spreken. Hoe mooi is het dat hij nog kan communiceren in een voor hem vreemde taal en hoe mooi is het dat de vrouw kan communiceren in haar moedertaal.  

Het is mooi te zien hoe de verbinding plaatsvindt. De eenzaamheid van de man doorbroken. Het verval door de dementie nog even teruggehouden. Dit alles in de binnentuin, de binnentuin, een omgeving met veel licht en groene bladeren.  

Het zou haar opa kunnen zijn, het zou zijn kleindochter kunnen zijn. Ze kennen elkaar enkele weken. Ondanks de dementie, herkent hij haar. Herinnert wie ze is. Weet dat ze Duits spreekt en benadert haar in het Duits. Hij voelt zich veilig bij haar en stapt met haar de wereld van de voor hem onbekende binnentuin binnen. In die wereld kan hij de optredens zien en horen. Genieten van muziek die deels bekend voor hem is.  

Het bekende, wat steeds verder wegglijdt naarmate de cognitieve functies afnemen. Het bekende wat niet alleen in het huis te vinden is, maar ook in de omgeving van het verzorgingshuis. Er is later in de week een gelegenheid om met hem een kopje koffie te drinken bij de koosjere bakker op enkele tientallen meters afstand van het huis. Samen met een collega, de vrijwilligster en een ander bewoner gaat de man op pad.  

Daar bij de bakker terwijl ze genieten van een kop koffie, hoort hij de Israëlische muziek en ziet hij klanten. Klanten die vaak ook een Israëlische achtergrond hebben.  Dit alles samen met de koffie en de typische lekkernijen maakt de wereld herkenbaar. ‘Het lijkt wel Tel Aviv’, zegt hij tegen mijn collega. Lijkt wel. Het begrip dat het niet echt tel Aviv is nog aanwezig. 

Na de koffie wordt er gewandeld, in de buurt. Meneer is verwonderd kijkt rond geniet van de gebouwen en de bomen. Er komt een man op hen af. Hij richt zich tot mijn collega. ‘Je weet niet wie hij is, ik ken hem.’, vervolgens richt hij zich tot de voetballer, die nu op ruim tachtig jarige leeftijd nog goed loopt, zonder rollator. ‘Ik heb als kind naar je op de televisie gekeken. Wat was je goed. Ik heb naar jou gekeken, Ik ken jou. Jij kent mij niet, maar jij hebt bij mij dertig jaar geleden in de winkel shoarma gegeten. Je bent altijd een mooi mens gebleven’. 

En nu ruim een week later zit hij opnieuw in de binnentuin. Met een kopje koffie. Even uitblazen na een driekwartier beweging. Naast hem mijn collega. Hij roept mij als ik langs kom. Hij vertelt mij van de ontmoeting. ‘Ik liep buiten en ineens kwam een man naar mij toe. Hij zag mij van ver. Hij herinnerde wie ik ben. Ik ben emotioneel’.  

Wij ook….. 

© Amiad Ilsar. 

Het gevaar naar beneden


Het is tijd om af te ruimen. De borden van het ontbijt, de glazen en het bestek kunnen met de kaas,
de pindakaas en de jam en de tafelkleden van de tafel. Zes personen die lijden aan verschillende stadia van
dementie hebben hier in de woonkamer gegeten. Vier daarvan zijn er nog aanwezig. Twee
zijn er al naar hun kamer verdwenen. De resten van hun ontbijt staan op de tafel bij de lege stoel.  Ik val
vanochtend voor de voedselassistente in. Ik weet niet wat hier het beleid is. Ik erger mij aan de
achtergebleven sporen. Waarom moet ik alles afruimen? Het is hier toch geen hotel? Ik voel dat er een proces op gang komt waarbij ik straks de hele tafel moet gaan afruimen. Ik nodig een mevrouw uit om met mij de
vaatwasmachine te gaan inruimen. Het is normaliter een actieve vrouw. Altijd met een glinstering in haar
bruine ogen, altijd druk pratende, maar vandaag wil ze niet. Het is misschien het vroege tijdstip, haar
vermoeidheid of de mijn onverwachte aanwezigheid vandaag. Het is wat het is. Ze lijkt resoluut en ik voel aan dat het geen zin heeft haar te overtuigen.  Ik ben ook eigenwijs en ik wil niet alles alleen doen. Ik sta bij de
geopende vaatwasmachine en zie dat het mandje voor het bestek er los in zit. Nu is een loszittend mandje
misschien meer of minder standaard, maar ik heb weinig met vaatwasmachines. We wassen thuis met de
hand.  Het loszittende mandje brengt mij wel op een idee. Mevrouw naar de vaatwasser laten lopen gaat niet
lukken, maar ik kan wel de machine- of in ieder geval een deel ervan- naar de mensen aan de tafel brengen. Ik zet het mandje voor een andere bewoonster op tafel en leg het gebruikte bestek ernaast. ‘Kunt u mij even
helpen en het bestek in de bakjes doen?’, vraag ik de vrouw met haar lange grijze haren. Dat kan ze. Ik lever
haar vorken en messen aan en zij stopt ze met grote nauwkeurigheid in het grijze plastiek bakje met gaatjes.
Als al het bestek is weggewerkt komt haar buurvrouw in actie. Ze neemt het mandje over en begint messen
en vorken om te draaien. Ik begrijp niet helemaal wat er gebeurt. Maar laat het plaatsvinden. Ingrijpen kan
altijd nog. En dan komt de verklaring. ‘Kijk de punt’, zegt mevrouw terwijl ze naar de punten van de vork
wijst.  ‘Het gevaar naar onder’, vult ze aan.  

@Amiad Ilsar.

Mevrouw wil weg

‘Denk je dat ik hier vandaag nog weg kan?’ Deze vraag wordt mij toegeworpen als wij- ik met de Duitse vrijwilliger en een viertal medebewoners- langs mevrouw de gang oplopen. Mevrouw zit gezeten op een stoel bij de openstaande deur van de woonkamer. Ze heeft haar jas aan een roze, paarsachtige dikke winterjas, op haar rollator een in een bundel gevouwen blauw laken. Ze is klaar om te vertrekken.

De vrouw maakt een vermoeide indruk, ze zit wat onderuit gezakt en de levenslust in haar blauwe ogen lijkt mij te zijn geblust. Het beetje energie wat nog over is zet mevrouw in om weg te kunnen komen. Weg van deze gesloten afdeling.

Het groepje bewoners wat we nu naar de binnentuin meenemen kan gaan genieten van een pannenkoek. Mevrouw kwam vroeger ook naar de binnentuin. Uit haar zelf. Ze rook de geur en zag de ontwikkelingen van over de balustrade van de eerste etage. Daar woonde ze.

Drie jaar liep ze dagelijks naar de binnentuin, genoot van het gezelschap en de activiteiten. Ik leerde haar kennen als een pittige dame. Hield van bezig te zijn. Maakte niet uit wat het was. Zelfs met schilderen dat volgens niet haar ding was deed ze mee.

Secretaresse was ze vroeger. Ze vertelde mij en anderen keer op keer hoe de baas naar haar luisterde. Ze gaf advies en nam beslissingen. Een onafhankelijke vrouw, die het heft in handen had.

De dementie nam echter bezit van haar en langzaam verloor ze grip op de werkelijkheid. Tot dat ze uiteindelijk op de gesloten afdeling terecht kwam.

Onze gang van de derde verdieping naar de binnentuin, die wij wekelijks maken is wat vertraagd vandaag. Er was vandaag een loos brandalarm. Een handmelder was ingeslagen op de derde. Mevrouw had het ruitje ingeslagen en probeerde zo langs de geopende deuren weg te komen. Toegesneld personeel wist dit te voorkomen.

Verleden week probeerde ze langs een toegangsdeur van de afdeling weg te gaan. De herinnering in mijn geheugen roept een beeld van de dame met de winterjas, waar ik oog in oog mee kwam te staan toen ik de toegangsdeur opende. De toegangsdeur is geheel gemaakt van hout, ondoorzichtig. Ik werd dus totaal verrast toen ik het speciale slot met twee handen van de buitenkant opende om een tweetal bewoners weer naar de afdeling te brengen. Daar stond ze. Een tweetal meter van de deur. Precies genoeg ruimte gevend aan de deur die naar haar kant opende. De twee uitgebluste ogen keken mij strak aan. De handen stevig om de handvaten van de rollator geklemd, de beenspieren aangespannen, klaar om een spurt te nemen. Gelukkig kon mevrouw niet meer zo snel bewegen als ze in gedachten had en kon ik snel het gezelschap naar binnen dirigeren, rechts langs haar blauwe rollator.

‘Hou open’, schreeuwde ze toen naar mij en ik deed de deur dicht.

En vandaag voelen de jongeman, die hier al enkele maanden zo fantastisch assisteert en ik de opgekropte machteloosheid en verdriet, maar lopen zwijgend verder.

© Amiad Ilsar

Ik wil dood

Ik rij mevrouw in de rolstoel voor mij uit over de gang naar haar kamer. Rechts aan het eind moet ik zijn. Een wit geschilderde deur en een naambordje. Ik lees haar naam hardop. Uit het verleden weet ik dat ze erg gesteld is om even haar naam te horen, zodat ze weet dat dit haar kamer is. Ze schreeuwt. ‘ Wat staat daar’. Ik herhaal haar naam. ‘Wat staat daar?’ Nu wat harder lees ik haar naam. Met grote armbewegingen schreeuwt ze voor de derde maal een boodschap die ik nu wel ken. Een gevoel van onbehagen bekruipt mij. Dit geschreeuw is echt niet prettig. ‘Als u zo blijft doorschreeuwen dan ga ik weg. Ik schreeuw ook niet tegen u’, probeer ik haar zo rustig mogelijk haar uit te leggen. Het werkt ze kalmeert en we betreden haar kamer.

Maanden lang hingen er slingers. Ze zijn weg. De kamer lijkt groter en lichter. Ik pak een stoel met een rieten zitting en plaats hem naast mevrouw. ‘O daar hebben ze gewoond’, haar harde schorre stem klinkt emotioneel als ze op een aantal flats aan de overkant van wijst. ‘Wie heeft daar gewoond’, vraag ik haar. Ze noemt de naam van haar zoon en schoondochter. Op de vraag waar ze nu zijn krijg ik geen antwoord.

De vele rimpels in haar gezicht, haar grijs blauwe doffe ogen het sluike witte haar dat de zijden van haar hoofd bedekt en de resten van een gebit. Samen met de rauwe schorre harde stem, wekken het beeld van een heks op. Dat beeld wordt gecomplementeerd als ze voor zich uit starend in een soort wolvengehuil uitroept dat ze hem mist. ‘Waar ben je? Waar ben je?’ Ik vraag wie ze bedoeld. ‘Uw man?’ Ze antwoord dat het haar zoon is die ze mist. ‘Waarom is hij niet bij mij gebleven’, vraagt ze zich hardop af. Wat kan ik antwoorden.

‘Het zijn wonden’. Ze herhaalt de zin enkele keren. ‘Waarom ben ik eraan begonnen, misschien was het beter zonder hem?’ Ik voel haar pijn. Ik zit naast haar. Ruim een eeuw oud gebroken door verdriet van het afscheid. Van haar zoon, maar ook van haar zus. Ze mist haar en vraagt of ik de zus heb gekend. ‘Ik ken haar niet.’ De pijn van het verlies, het gemis is groot. Het verdriet immens en wordt tot diep in het broodmagere lichaam gevoeld. Ze wil dood zegt ze. Inmiddels heeft ze een kop koffie voor haar op het tafeltje staan. Ik heb het gebracht na een voorstel van haar om koffie met mij te drinken. Het uitzicht is nog steeds de flat voor ons. De plek waar een door ouderdom getroffen geest een eigen realiteit schetst. Links van de flat heeft ze gewoond en ze wijst op een studentencomplex.

Op haar wens om dood te willen geef ik geen antwoord. ‘Zijn we hier vlakbij de Amstel?’ vraagt ze even later. De relatie lijkt dat mij voor de hand. ‘Wilt u de Amstel inspringen?’ Nu is het haar beurt om te zwijgen.

‘Ik moet gaan’.

‘Kom je weer terug?’

‘Morgenochtend’.

En voordat ik de kamer uitga geeft ze mij een handkus. ‘Tot morgen’.

© Amiad Ilsar

Het koffiemelkcupje

Het koffiemelkcupje

Een kop koffie staat op tafel. Zwarte vloeistof in een doorzichtig glas. Naast het glas een man in een rolstoel. Grijs haar een enkele tand in een verdere tandeloze mond bewaakt de vergane glorie. Met een snelle beweging zou de koffie kunnen worden gemend met koffiemelk uit een cupje.  Een simpele effectieve beweging die dagelijks vele malen wordt gemaakt. Vandaag gaat het even anders. Het koffiemelk cupje komt terecht in de handen van een man. En waar de meeste vrouwenhanden snel en rap zijn, treuzelen deze mannenhanden.

MESJEK

De handen van de man zijn afkomstig van een bejaarde man. Ruim tachtig. Hij zit in een rolstoel is sinds enkele weken weduwnaar van zijn vrouw. 62 jaar waren ze getrouwd. Nu na het overlijden lijkt het dat er een deel van hem met haar gestorven is. Zijn energie is weg. Hij lijkt leeg, het leven is ook hem weg gestroomd. Hij zit nu bijna alleen nog maar slapend op zijn stoel. Terwijl hij eerder nog communiceerde, om zich heen keek of de krant las. Maar het gedrukte nieuws uit de krant blijft nu voor hem een ongelezen moment uit het verleden waar hij geen binding mee meer heeft.

Deze passieve bijna levenloze man zit nu met het goud gekleurde koffiemelkcupje in zijn hand. Een jonge vrouw van twintig jaar heeft hier een rol in gespeeld.

Ze heeft de man het koffiemelkcupje gegeven. Haar doel was om de man te prikkelen en hem wakker te houden. Het doel wordt bereikt. De man priegelt aan het lipje van het koffiemelkcupje, ondanks zijn staat van bewustzijn. Hij priegelt en priegelt en stopt. Minuten lang een cyclus van kleine bewegingen, die nergens toe lijken te leiden. De jonge vrouw grijpt niet in. Elke nieuwe poging, elke beweging met de vingers is een bevestiging van het gestelde doel. Meneer blijft wakker. En zo blijft ze als toeschouwer aan de zijlijn staan. Ze kijkt naar een fascinerend schouwspel. Mooi in zijn eenvoud, in de stilte, schoonheid en groots in de uitvoering. Nauwelijks zichtbaar en daarmee bijna niet opgemerkt.

Het lipje van het koffiemelkcupje komt uiteindelijk in beweging. Het valt er af. En dan is het koffiemelkcupje ineens open. De inhoud wordt zichtbaar en daarmee is de kans dat de inhoud over de schoot van de man zal uitlopen groot. Nu komen de vrouwelijke handen in beweging. Het doel is veranderd. De jonge vrouwelijke handen komen samen met de oude mannelijke handen. Het koffiemelkcupje wordt ondersteund door een samenwerkingsverband van verschillende generaties. Samen gaat het in de richting van het glas. Jonge heldere blauwe ogen richten zich naar de handen. Oude doffe blauwe ogen richten zich naar de tafel, afgedekt door de oogleden.

De man is nu vrij passief lijkt bijna niet meer te merken dat de donkere realiteit van een zwarte vloeistof wordt verlicht door een contrasterende crème achtige vloeistof. Maar toch krijgt de man de kans om een deel te zijn in de wereld om hem heen. Dankjewel Paulina.

 

© Amiad Ilsar

 

boos

Ik lees op het verlichte scherm van mijn e-reader. “Een zigeunerin komt bedelen bij de tafel. Ik reageer niet op haar uitgestoken hand. Ik wil haar geen geld geven. Als ze begrijpt dat ze niets gaat krijgen, richt een zwarte wijsvinger richting mij hoofd terwijl haar duim omhoog gaat”, Poef klinkt het en ze loopt weg”. Een dag later word ik aan dit fragment herinnerd.

Het is even voor achten een dinsdagochtend in oktober. De bomen kleuren buiten geel en een reiger ontving mij enkele minuten geleden bij de ingang. Na binnenkomst ging ik meteen richting de eetzaal. Aan een l- vormige tafel komen zo meteen een zestal dames met dementie te zitten. Het is aan onze Duitse vrijwilligster en mij om een ontbijt aan te bieden.

In een rustig tempo schuiven de dames bij de tafel aan. Er wordt gegeten en gedronken. Ruim na negenen wordt de hoofdpersoon van dit verhaal gebracht. Ze heeft een boze blik. Een masker van de boosheid zelve bedekt haar honderdjarige gezicht. De verzorgende die haar brengt vertelt ons nog ten overvloede dat mevrouw boos is. Ze zit roerloos. Kijkt strak voor zich uit. Zwijgend en een blik op het oneindige gericht. Ik ga door mijn hurken nader haar gezicht met mijn gezicht en vraag haar of ze wat wil drinken. Geen slimme actie. Ik ben heel kwetsbaar nu ik haar zo dicht genaderd ben. Op antwoord van mijn vraag is er een licht sissend geluid en de lippen worden getuit alsof ze een flinke fluim mijn kant wil opspuwen. Ik denk dat ik door haar ouderdom wordt gered. Ze lijkt mij niet meer in staat zijn om te spugen.

Ze eet niets. Zit roerloos voor zich uit te staren. Ik laat haar verder met rust durf niet haar opnieuw te benaderen. Mevrouw vindt het niet fijn hier in de groep te zijn. Nu niet en nooit niet. Zijzelf ziet haar aanwezigheid op de meest positieve momenten als tijdverdrijf en op de meest negatieve momenten als geestelijke mishandeling. Mevrouw kan niet weglopen. Ze zit op haar rolstoel. In een samenspraak met haar familie hebben wij besloten haar van de kamer te halen. Mevrouw zat in grote eenzaamheid hele dagen op haar kamer. Ook daar was ze vaak onrustig.

Mevrouw komt nu twee drie weken naar de groep met nog 5 anderen personen die aan dementie lijden. In deze tijd heb ik haar een klein beetje leren kennen en kunnen waarnemen wanneer haar onrust en onvrede toeneemt. Wanneer er veel mensen om haar heen zijn en wanneer we van situatie naar situatie gaan en er geen vertrouwde persoon bij haar is om een mediator te zijn tussen de buitenwereld en de verwarde binnenwereld. Vanochtend is mevrouw gedoucht. Dit heeft zoveel spanning opgeleverd dat mevrouw emotioneel uit evenwicht is geraakt.

En dan maakt ze oogcontact met mijn Duitse toeverlaat. “I kill you”, hoor ik haar zeggen. De jonge blauwe ogen van de vrijwilligster kijken me wat geschrokken en verward aan. “Ze praat Engels”. Laten wij het daar maar ophouden.

© Amiad Ilsar