Gaan we voor activiteiten naar de binnentuin ?

In het gebouw zijn vier verdiepingen. Op elke verdieping is een andere doelgroep die zorg geniet. Voor activiteiten in de binnentuin, het kloppend hart van het huis komen mensen beneden samen voor een kopje thee en koffie, een praatje of een activiteit.  

Bij de activiteiten brengen wij- de activiteitenbegeleiders- bewoners van de verschillende verdiepingen samen. Er komen dan bewoners samen die normaal gesproken gescheiden zijn door de verschillende verdiepingen van het gebouw en niet van elkaars bestaan weten. In de binnentuin- bij de activiteiten- helpen bewoners met dementie, bewoners, die in een rolstoel zitten en vrij zelfstandig handelende bewoners praten met minder zelfstandige bewoners. Zo nu en dan schuiven bewoners van de aanleunwoningen of bewoners van de ggz voorziening aan. Inclusie in de beschermende omgeving van een verzorgingshuis.  

Natuurlijk is een massale activiteit aan twee tafels met rond de twaalf bewoners in een grote ruimte niet voor iedereen geschikt. Er blijven altijd mensen achter aan de tafels in de woonkamers of eigen kamers op de verdiepingen. Voor hen zijn er activiteiten op de verschillende verdiepingen nodig. Het is een puzzel om iedereen aan zijn behoefte te voldoen. Soms is een bewoner tijdelijk of voor langere tijd niet meer in staat naar beneden te komen.  

Mijn collega merkte deze week tijdens de lunch op dat een grote groep bewoners met dementie nogal verward naar de verdieping terugkwamen en dat de vraag is of het misschien beter is hun een programma op de verdieping in vertrouwde omgeving aan te bieden. Het is een afweging, maar de stap om iemand niet meer naar beneden te nemen is ingrijpend en meestal niet omkeerbaar.  

Voordat we een beslissing van dien aard nemen, moeten we analyseren waarom dit alles gebeurt. Ik heb een veronderstelling dat de verwarring optreedt, omdat ik de cliënten bij de lift de verdieping op laat gaan en ik dan meteen weer naar beneden kan gaan. Deze manier handelen heeft een reden. Het scheelt voor mij veel tijd. Het openen van de liftdeuren en daarna iedereen te laten uitstappen is logistiek gezien efficiënt. Deze manier van handelen prikkelt verder ook de cognitie. Vragen als waar ben ik en welke kant moet ik op, gaan een rol spelen, wanneer de bewoners zelfstandig hun weg terug naar de woonkamer moeten vinden. Het prikkelen van de geest is altijd een doel in mijn omgang van de bewoners. Maar het kan nu zomaar zijn dat de vraagstellingen te moeilijk zijn voor een deel van de bewoners. Ze weten niet meer wat ze moeten doen en welke richting ze op moeten waarna ze verward op hulp moeten wachten. Dat is zeker niet de bedoeling. 

Als ik mij nog wat verder in het geheel verdiep dan zou ik nu moeten gaan analyseren waar het mis gaat. Zijn het de cognitieve vermogens van de bewoners niet meer toereikend om de door mij gestelde opdracht te vervullen of kunnen de gevoelens van onrust worden weggenomen met wat meer begeleiding. 

Tot slot zou ik de vraag willen stellen of we niet te beschermend te werk gaan. Mogen de bewoners ook een moment van onduidelijkheid ervaren? Moeten we constant zorgen voor een weg zonder uitdagingen voor onze bewoners? Mogen de bewoners zich niet heel even verward voelen, als ze eerder profijt hadden van de verandering van plaats? Wie zal het zeggen? 

@ Amiad Ilsar. 

Advertenties

Oud en nieuw

Het is eind september. Herfst in aantocht en op de joodse kalender verschijnt nieuwjaar. Een nieuwjaar, dat we dit jaar op 29 september in de avond vierden en voortduurde tot in de avond van 1 oktober. Twee dagen. Twee dagen nieuwjaar. Twee dagen waarin we afscheid nemen van het oude en daarmee een stukje verleden. Twee dagen waarin we met het verwelkomen van het nieuwe uitkijken naar de toekomst.  

Eind augustus en begin september heeft hier in Beth Shalom sinds een aantal jaren ook een betekenis in relatie met oud en nieuw. Het is een eind van een vrijwilligers jaar en een begin van een nieuw vrijwilligersjaar. We nemen eind augustus afscheid van een vrijwilliger van Aktion Sühnezeichen Friedensdienste en verwelkomen half september een nieuwe vrijwilliger. Twee personen. Twee personen die hooguit wat schriftelijke informatie uitwisselen, maar verder contactloos blijven. Nieuw en oud nemen elkaars plaats in. Niet in een dag maar in een drie weken tijdsverloop. 

Wij, de begeleiders en onze cliënten zijn de degene die een verbinding zijn tussen het oude en nieuwe. Na een afscheid en een leegte van drie weken blijven de oude herinneringen het geheugen vullen. Velen, medewerkers en cliënten, zijn gehecht geraakt aan een vertrouwd persoon. Er wordt nog geïnformeerd hoe het nu met de persoon gaat. Heb je wat gehoord, ik mis degene, wordt er gezegd en dan met het verder gaan van de tijd worden de vragen en de uitingen van gemis steeds minder. Het verleden gaat op in het heden. 

De aandacht gaat langzaam uit naar het nieuwe. De nieuwe naam van een man of vrouw, waarvan meestal eind mei de naam al bekend is. De nieuwe persoon die het oude vertrouwde gaat vervangen. De nieuwe persoon die met het verstrijken van de tijd overgaat van nieuw naar oud. En waar dan precies de omslag is?  

Het is een geleidelijk proces. Dag in dag uit wordt nieuw een beetje meer oud. Net als bijna alles in deze wereld. 

Maar voordat nieuw oud wordt, moet de persoon worden ingewerkt. Hij moet van nieuw naar oud gaan door een reeks van ervaringen en overdracht van kennis. Hoeveel cliënten hebben we hier in huis, wie zijn de cliënten, wat betekent de joodse identiteit in de praktijk, wie zijn de collega’s en welke zorg krijgen onze cliënten wanner en door wie? Talloze feiten en informatie, die in de eerste weken worden overgedragen. 

Wij, cliënten en medewerkers, moeten de nieuwe persoon leren kennen. Wie is hij of zij. Wat zijn de drijfveren van de persoon, hoe integreert hij of zij in ons huis en wat is zijn of haar karakter, achtergrond. Allemaal informatie die een rol spelen in de eerste periode waarin iemand nog als nieuw wordt ervaren.  

Als iemand na een jaar weg gaat. Wordt oud langzaam vergeten. Oud verdwijnt uit het vizier en helaas zien we niet iedereen meer terug.  

Amiad Ilsar. 

Te weinig Nederlands

‘Er wordt hier te weinig Nederlands gesproken’, de uitspraak verbaast mij. Hij komt onverwacht en wordt door een bewoonster van de aanleuning woningen uitgesproken. Ze komt hier vaker in het verzorgingshuis en wordt uitgesproken als ik haar een vrijwilliger uit Duitsland en een stagaire, die afkomstig uit Syrie is, voorstel. 

Haar uitspraak komt hard bij mij aan. Hij lijkt mij namelijk doelbewust gericht en geplaatst aan deze twee jonge mensen van rond de twintig komen hier om te helpen en te leren. Hier in een verzorgingshuis met een Joodse identiteit. Jonge felblauwe ogen en jonge diepdonkere bruine ogen onder een hoofddoek kijken in het rond en nemen van alles als een spons in hun op. 

Een aantal minuten geleden waren ze in de eetzaal en keken ze naar hoe ter gelegenheid van het Joodse nieuwjaar de rabbijn een ramshoorn in zijn handen nam en konden ze de bijzondere tonen van deze horen. Tonen die ons tot inkeer roepen. Tonen die zij zeker nooit eerder hebben gehoord. Een Duitser, een Syrische, Joodse en christelijke bewoners. Samen, wij allen worden voor enkele minuten verbonden met het bijzondere geluid van de hoorn.  

Dit universele geluid is taalloos. Het is geen Duits, Arabisch, Hebreeuws of Nederlands. Het is het geluid van de hoop. De Duitse, de Syrische en ik stonden in de eetzaal, kijkend en luisterend naar de rabbijn. In een eetzaal waar een enkeling nog de tweede wereldoorlog heeft meegemaakt, waar meerdere bewoners als tweede generatie zijn beinvloed door de ellende van die duistere tijd tussen 1940 en 1945. We stonden in een eetzaal waar een deel van de etende bewoners ook helemaal niets van de verschrikkingen van de oorlog heeft meegemaakt.  

Hier in de eetzaal staat een jonge Duitse man naast mij, die ongewild deel is van de verschrikkingen die zijn land, zijn volk in vorige eeuw hebben veroorzaakt en uitgevoerd. Hier in de eetzaal staat een jonge vrouw, naast mij, die slachtoffer is van nieuwe oorlogen en bezig is met haar familie een nieuw leven moet opbouwen. Zij moet kennis maken met een nieuwe cultuur en een nieuwe taal leren, gedwongen door de omstandigheden. Hier in de eetzaal is er een beeld van een betere toekomst. Een toekomst van verzoening en vrede. Iets waar wij als medewerkers trots kunnen zijn, dat wij daar een rol in kunnen spelen. 

Vandaag de dag kennen we een gepolariseerde wereld met ver uiteenstaande standpunten over klimaat en politiek. Je bent voor of je bent tegen. Maar hier zijn wij met elkaar. Een nieuw Joods jaar is inmiddels begonnen, maar het beeld van deze dinsdag in eind september moet bewaard blijven. In dit nieuwe jaar en in de jaren erna. 

Beste mevrouw, bewoonster van de aanleunwoning, we moeten communiceren in Nederlands. We moeten allemaal Nederlands spreken. Maar beste mevrouw van de aanleunwoning, laten we vooral de taal van de verzoening, de menselijkheid en vrede blijven spreken.  

© Amiad Ilsar. 

Spontaan zingen

We zijn bloemen aan het schikken. Een aantal bewoners zitten aan een groep verschillende tafels in een ruimte, die ook dienstdoet als ontbijtzaal. Na een half uur staan de meeste bloemstukken in alle pracht voor de mensen op tafel of op de kar om op de kamers te worden bezorgd. Ik hoor dat iemand spontaan is gaan zingen, een bekend liedje. Nederlandstalig. Droomland. 

De vrouw die tegenover de zangeres zit begint al snel met haar handen te klappen en een andere vrouw roffelt met haar vingers op het tafelblad. Ik hou van dit soort spontane dynamieken. Ik probeer het vuur aan te wakkeren en op zijn minst te laten branden. Ik maak oogcontact met degene die klap en klap mee. Ik loop richting de tafel en ga naast de vrouw staan die is begonnen te zingen. Nabijheid is nodig om van betekenis te kunnen zijn in een activiteit met de bewoners die hier aan tafel zitten. Ik sluit aan bij haar zang. Tegelijkertijd roffel ik zo nu en dan met de vingers op de tafel. 

Een dag geleden heb ik een workshop gevolgd over het toepassen van muziek in de zorg. Hoe toevallig dat er nu wordt gezongen, dat gebeurt nooit bij bloemschikken. Ook als je geen ervaren musici bent kunt je muziek inzetten als middel voor activatie, ontspanning, plezier en contact. Er is nog tien minuten tot het einde van onze activiteit- die dus in feite al is afgelopen- Ik besluit het moment uit te gaan bouwen. Ik ken de woorden niet. Ik loop een verdieping naar beneden en haal een versterker. Op deze manier kan ik het liedje laten afspelen en kunnen we meezingen. Omdat ik weinig tijd heb neem ik geen verlengsnoer mee wat op een andere plek ligt. Een cruciale beslissing, waar ik later spijt van krijg. 

Ik kom weer boven ditmaal met de lift. Het is stil geworden. Er klinkt geen ander lied. Om hier een activiteit gaande te houden is er een katalysator nodig. Die is er nu in de vorm van de muziek, die ik met bluetooth vanaf mijn telefoon kan laten horen. Doordat er geen stopcontact is bij de plek waar de muziek makende dames zitten, moet ik uitwijken naar een plek verder weg en moet ik het volume vrij hoog zetten, zodat iedereen het kan horen. Ik kies voor droomland in de uitvoering van Heintje gezien de leeftijd van de dames. Nu de woorden hoorbaar zijn kan er meegezongen worden. Dat gebeurt met veel enthousiasme. 

Als het lied is afgelopen vul ik de woorden het dorp in op de zoekbalk van de website en even later klinkt even later de stem van Wim Sonneveld door de kamer. Dit lied hebben we gisteren tijdens de workshop met veel plezier gezongen en ook hier terwijl ik mij tussen de aan tafel zittende mensen beweeg wordt het goed ontvangen.  

We moeten helaas afsluiten met dit lied. Het is tijd.  

‘Het was gezellig’, hoor ik de vrouw in de rolstoel zeggen- zij, die begon met zingen- als ik haar naar de lift rij. 

© Amiad Ilsar. 

De crematie

Ik vind het meestal fijn om bij een begrafenis of crematie van een cliënt aanwezig te zijn. Zeker als het een persoon is, waar ik veel contact mee heb gehad. Het geeft mij een gevoel van afsluiting, het is voor mij belangrijk. Tegelijkertijd weet ik dat er ook families zijn, die mijn aanwezigheid waarderen. 

Al was het uit mijn eigen herinneringen van de begrafenis van mijn vader. Hij was voordat hij stierf enkele maanden opgenomen in een verpleeghuis. De aanwezigheid van een groot gedeelte van de zorgmedewerkers gaf mij een goed gevoel. De verzorgers waren een deel van een heel intense en verdrietige tijd en het was goed voor mij om dit op die manier af te sluiten. 

Ik voel mij soms ook een beetje opgelaten. Een indringer. Een toekijker, bij een intiem moment van de familie. Ik twijfelde ook nog tot vanochtend of ik zou gaan. Het zijn vooral deze crematies en niet Joodse begrafenissen waarbij ik mij soms wat opgelaten voel. Bij een Joodse begrafenis is het heel gebruikelijk dat er veel mensen komen, omdat het een religieuze verplichting is de overledene naar zijn laatste rustplaats te brengen, waarbij de aanwezigheid van publiek wordt gezien als steun voor de familie. 

De crematie van de client is om 12:00 uur op de nieuwe Oosterbegraafplaats in Watergraafsmeer, vlakbij het Amstelstation, in Amsterdam. Ik heb mij kunnen vrij maken van mijn andere werk en kom vanuit Amstelveen met bus en fiets en ben erom even over half twaalf. Ik mijn broekzak twee steentjes, die ik onderweg naar hier heb opgeraapt. Een steentje van mij en een uit naam van de vrijwilligster, die de cliënt ook goed gekend heeft. Ik heb dit niet met haar overlegd, maar ik denk dat dit geen kwaad kan. In het Jodendom is het niet gebruikelijk om bloemen op een graf te leggen, maar steentjes. Een steen symboliseert de eeuwigheid, terwijl bloemen vergaan. 

Ik ken de weg naar het huisje waar we verzamelen, links van de statige ingang van de uit 1894 daterende begraafplaats. Ik ben er eerder geweest. Bij de crematie van een vrouwelijke cliënt ergens in het voorjaar van dit jaar. 

Het is spannend om naar binnen te stappen. Ik weet niet wie er allemaal is. Ik voel de extra steen in mijn broekzak, fijn dat de vrijwilligster er in gedachten bij is. Het is mooi om dit soort droevige en plechtige momenten met collega’s en of kennissen en vrijwilligers te delen. Het is dan ook een mooi gegeven dat er bekenden uit de synagoge zijn een gastvrouw en een oud-collega. Hoe anders was het bij menigeen andere begrafenis of uitvaart, waar ik de enige vanuit de organisatie was. Iemand van de familie komt op mij af en bedankt mij vanuit haar hart voor mijn aanwezigheid.  

Ook later merk ik hoeveel onze aanwezigheid wordt gewaardeerd. Aan de hand daarvan denk ik dat er aandacht moet zijn voor het laatste afscheid. We zijn als medewerkers druk met de zorg, maar het allerlaatste stukje zorg en aandacht voor de familie wordt soms over het hoofd gezien. Er is een intake, maar waarom geen outtake? 

Om enkele minuten over twaalf worden we door een uitvaartmedewerkster naar buiten genomen. We verzamelen ons voor de deur. Tegenover is een klein gebouw, een aantal mensen waaronder enkele in een electrisch voertuig verzamelen. Ik herken een van de aanwezigen als de man van een vrijwilligster, die helpt met pannenkoeken bakken op de woensdagmiddag. Het is heel opvallend dat juist nu de as van een cliënt hier uitgestrooid wordt, die enkele maanden in Beth Shalom zorg heeft gekregen.  

De uitvaartmedewerkster brengt ons naar een gebouw waar de crematieplechtigheid plaats vindt. Er wordt over cliënt gepraat als een levensgenieter, een man met humor en een harde werker. Iemand die geliefd was. Een sociaal bewogen persoon. Iemand die zijn trieste jeugd heeft weten achter zich te laten. Zijn ossenworst wordt genoemd en zijn band met de Joodse bevolking. Netjes gekleed met jasje en stropdas en een fervent bridge en schaakspeler. Iemand die het heel moeilijk had toen de laatste maanden van zijn levn de regie uit handen werd genomen en de vrijheid werd beknot. Iemand die geen kinderen had, maar als een echte vader was voor zijn peetkind. 

Alle verhalen worden afgewisseld met vooral klassieke muziek, maar ook don’t cry for me Argentina. Waarom weet ik niet. 

Als de plechtigheid ten einde is gaat de kist van de cliënt omhoog. Heel vreemd voor mij om de kist door een gat in het plafond in de aangrenzende ruimte te zien verdwijnen. De deuren tussen de ruimte gaan dicht en we gaan naar buiten. Daar ziet zijn vrouw mij bij het verlaten van de zaal en barst in snikken uit. Nu weet ik zeker dat ik er goed aan heb gedaan om hier te zijn.  

© Amiad Ilsar. 

Doing nothing together

De titel van de these is in het Engels. Doing (nothing) together. Met een ondertitel. Moments of contact within the daily life of nursing home residents with dementia. Ik kreeg deze these in handen na een presentatie en een gesprek met de maakster Ilja Brugman. Een jonge vrouw, studente culturele en sociale antropologie. Ze begint haar introductie met de vaststelling dat ze nooit had gedacht dat bijna alle cliënten op de afdeling haar begonnen te herkennen. De een als onderzoeker, voor andere was ze een zuster, maar velen begonnen haar gezicht te herkennen. 

De gedachten en het beeld dat dementie ertoe lijdt dat je niets meer kan leren is zeker in de beginfases van de ziekte niet waar. Vanuit de praktijk merken we als begeleiders, verzorgers, vrijwilligers en iedereen die regelmatig contact heeft met ouderen met dementie dat men nog kan leren. Personen worden herkend, namen worden soms geleerd en persoonsgegevens onthouden en aangeleerd. Relaties tussen personen, wie doet wat en wanneer worden onthouden of op zijn minst herkend.   

Maar ook dag patronen, zoals tijdstippen en de plekken van de activiteiten worden herkend. Ook in negatieve zin. Er zijn bewoners, die nooit aan iets willen meedoen. Heel consequent. Zij vormen met de bewoners waar de ziekte al verder heeft toegeslagen de groep die we herkennen vanuit de beelden zoals we een stereotype verpleeghuis herkennen. Een groep ouderen, die suft aan de eettafel, voor zich uit staren. De momenten van het grote niets doen en ogenschijnlijk verveling. In de literatuur die Ilja aanhaalt wordt gesproken over sociale dood en een totaal afhankelijk leven, bijna als een plant.  

Activiteiten moeten dat beeld weghalen. Maar Ilja constateert dat de bewoners soms een stilte of de afwezigheid van enige geboden activiteit juist willen.  

Wat Ilja constateert is dat het niet om de activiteit gaat, maar om het contact. De mens is een sociaal wezen en de meeste mensen houden van contact. Het nastreven van contact kan in allerlei situaties van de dagelijkse zorg tot een gestructureerde aangeboden activiteit. Als we het doel van contact maken voor ogen houden kunnen we heel veel kwaliteit toevoegen aan het leven van een bewoner met dementie in een verpleeghuis.  

De aangeboden activiteiten zijn geen doel op zich. Hoe de creaties, de kleurplaten, de bloemstukjes of de gevlochten challes eruitzien zijn geen doel op zich. Activiteiten zijn ook voor mij een middel. Het doel moet het contact maken zijn. Altijd en overal. Iets wat niet altijd makkelijk is als we kijken naar de groepsgrote en de hoeveelheid begeleiding.  

Daarbij wil ik de kanttekening maken dat een grote hoeveelheid begeleiders niet altijd garantie biedt voor een intensieve contact name. Niet iedereen heeft de mogelijkheid om het activeren als doel los te laten. Als activiteitenbegeleider merk ik het keer op keer dat wij als begeleiders een beeld hebben hoe bepaalde eindproducten van een activiteit eruit zouden moeten zien en dat strookt niet altijd met wat de behoeften van iemand met dementie is.  

@Amiad Ilsar

Sleur

Het is een maandagochtend. Ik loop het lokaal in, waar ik deze werkdag zal verblijven. Een keukentje met een keukenblok, een bureautafel, een grote ronde vissenkom met wat guppies, een tafel met enkele gekleurde stoelen. Aan de kant van het lokaal nog een comfortabele stoel met een tafel ernaast en verder een tweetal kasten. Dit alles wordt verlicht door de zon die door een drietal ramen naar binnen schijnt. De grond is mosterdgeel en geeft samen met de stoelen kleur aan een soms wat sombere wereld van oudere mensen met een zware verstandelijke beperking. Drie in totaal zijn er aan mij vandaag toevertrouwd.  

Om even over negenen worden drie cliënten vanuit de woongroepen naar het lokaal gebracht. Ik ben nog nooit op deze groep, die de naam geel draagt, eindverantwoordelijke geweest. Geel is blijkbaar mijn kleur want in het gezondheidscentrum, die ik deze ochtend bel voor een afspraak met de huisarts, blijk ik ook in groep geel ingedeeld te zijn. Voor alle nieuwe medewerkers op deze gele groep is er een inwerkmap. In de map is een strak gestructureerd dagprogramma weergegeven.  

Ik lees in het dagprogramma dat een van de cliënten de dag begint met puzzels maken en een ander met kleurplaten kleuren. Dit wel nadat ik vraag wat ze willen doen. Nu ken ik de groep niet als geheel, maar individueel ken ik de cliënten allemaal. Zo ook deze puzzelman. Ik ken hem al achttien jaar en al deze jaren doet hij deze inlegpuzzels. Waarschijnlijk zal hij nog jaren deze puzzels doen totdat zijn cognitieve vermogens door ouderdom geteisterd nog verder zullen afnemen. Waarom doet deze man niets anders? Kan hij niets meer, of is hij door de continuïteit gewend geraakt aan die eeuwige puzzels. De puzzels zijn hoe dan ook met hem verbonden als zijn eigen ademhaling en hartslag. Dag in dag uit de puzzels, dag in dag uit voor de andere client schilderen en verven. Dezelfde tijd, hetzelfde lokaal een andere begeleider. 

De derde client, een vrouw zit in een comfortabele stoel te breien en te kletsen.  

Dan gaat de dag verder met een tien minuten ontbijtkoek smeren, ook dit programmaonderdeel staat gedocumenteerd en wordt uitgevoerd door de man, die net zat te schilderen. Dit smeren doet hij met veel zorg, ik vind het mooi dat dit onderdeel van een stukje dagelijkse zorg dat aan de cliënten wordt gegeven. Niet voor maar met de cliënten de dag vullen. 

Dan volgt er muziek. Kinderliedjes voor ouderen rond de zestig. Is dit hun behoeften? Of is dit het enige wat ze hebben geleerd te zingen. Elke ochtend weer. Nee, dit is niet het enige wat ze hebben geleerd. Ook Joodse en Israëlische liedjes kennen ze. 

Na het zingen volgt het thee en koffie moment. Gestructureerd. Twee koppen koffie gescheiden door een rookmoment voor de verfman.  

Daarna gaan we wandelen, lunch bereiden waarna er in de middag het programma ook weer gestructureerd is met verschillende tijdstippen waarop elk van de cliënten thuis moet worden gebracht of worden opgehaald en een vierde client met zware gedragsproblemen ook nog ruim een uur op de groep komt. 

Ik had deze dag een uitdaging om mee te gaan in een sleur van een totaal voorgeprogrammeerd verloop van gebeurtenissen. Het gaf mij een help gevoel. Een gevoel van hier wil ik uit breken en gaf mij de vraag hoe is deze structuur ontstaan. Wie had en heeft daar de meeste behoefte aan. De cliënten of de begeleiding? 

© Amiad Ilsar.