Stemmen

Een man met een grote en brede zwarte tas in de hand komt even voor achten het gebouw binnen. Even denk ik dat de tas vol zit met medische spullen. Maar deze veronderstelling wordt verworpen. 

‘De pianostemmer’, zegt de lange man, gekleed in een colbert en spijkerbroek, tegen de receptionist als hij doelgericht verder het gebouw inloopt. De man weet waar onze vleugel staat en even later klinken er losse klanken door de ruimten. Zo wordt een woensdag in juni opnieuw een stemdag.  

Het is net enkele weken geleden dat we verkiezingen voor het Europese parlement hadden. Net als in de buitenwereld, was er in de wereld van de vier verdiepingen van dit gebouw, minder belangstelling dan voor de verkiezingen van de provinciale staten. Twee heren hadden zich uiteindelijk deze ochtend gemeld om te gaan stemmen.  

Het stemlokaal is in een hotel op een steenworpafstand van het huis. Een bijzondere plek om te gaan stemmen, de enige plek, die ik ken waar je gebak en koffie kan krijgen na het stemmen.  

Een van de mannen zit klaar bij de receptie op de afgesproken tijd. Meneer loopt met een rollator maar nu we verder dan enkele verdiepingen van het huis moeten heeft hij een rolstoel ter beschikking. Ik haal de andere man op.  

De man zit in zijn kamer op de tweede verdieping, hij is klaar. Hij doet zijn bruin leren jas aan. Hij loopt moeilijk maar slaat het aanbod van mij af om met een rolstoel te gaan. Als we beneden zijn vraag ik de man of hij zijn legitimatiebewijs en kiespas heeft. Geen legitimatiebewijs. ‘Dan kun u niet stemmen’. Zo werkt dat, of beter gezegd niet, bedenk ik mij. Waar halen we een legitimatiebewijs vandaan? Mijn zelfkennis zegt mij dat ik beter niet kan gaan zoeken. Zoeken is niet mijn sterkste kant. De vrijwilligster, die de andere man begeleidt, kan dat vast veel beter. Zij gaat naar zijn kamer en wij wachten beneden. Net als zoeken is wachten niet mijn sterkste kant, als er enkele minuten zijn verstreken loop ik naar boven.  

Boven in de gang komen de man en de vrijwilligster, Claudia mij tegemoet. Mijn eerdere veronderstelling is uitgekomen. Er is een rijbewijs gevonden. In een schaal die op een open plank in een kast staat. Ik zou daar nooit gezocht hebben. Mijnheer beweert dat het rijbewijs ongeldig is. Oh, nee. Alle moeite voor niets. Maar een nadere analyse van het roze kaartje laat zien dat het nog enkele jaren geldig is. We gaan op weg. 

De man naast mij schuifelt achter zijn rollator en hoe dichterbij wij bij het hotel komen hoe moeilijker de stappen worden genomen. Mijnheer trilt en lijkt geen controle te hebben over zijn benen. Ik neem een tweetal rustpauzes met de toegangsdeur van het hotel in zicht.  

Vlak voor de deur vraag ik aan een personeelslid de deur open te houden. Bijna vallend komt mijnheer de entree binnen. Claudia loopt met haar bewoner richting de lift- de stemhokjes zijn op de eerste verdieping- en ik laat mijnheer even zitten op een door de medewerkers aangesleepte stoel.  

‘Kan mijnheer hier beneden stemmen?’, vraag ik de medewerkester van het stemlokaal. Dat mag. Papieren worden gehaald, een rood potlood wordt aangereikt en mijnheer kleurt midden in de entree het hokje van zijn keus rood. Hij wordt geholpen om het lap papier weer op te vouwen en als even later Claudia met man naar beneden zijn gekomen verlaten we het gebouw. Gestemd, maar geen koek en of koffie gehad. 

© Amiad Ilsar. 

Advertenties

De voetballer

Ze zitten in de binnentuin. Hij een man, client met dementie en zij een jonge vrouw die hier een half jaar vrijwilligerswerk doet. Een roodharig geverfde jonge vrouw, een man met grijs haar.  Hij geboren in Israël, zij in Duitsland. Samen zitten ze naast elkaar en praten in het Duits.

 Duitssprekende bewoners verwachtten we hier niet. De man heeft echter voetbal in Duitsland gespeeld. Als Jood voetbal spelen in het Duitsland, de eerste Israëlische voetballer in Duitsland, misschien in heel Europa. Twintig, misschien dertig jaar na het einde van de oorlog dat was bijzonder. In die jaren kon mijn moeder, die aan de Jodenvervolging was gered door het feit dat ze ondergedoken heeft gezeten niet eens een auto met Duitse kenteken zien. Misschien heeft de man nog meer in Duitsland gedaan, dat weet ik niet. Maar waar het om gaat is dat hij ondanks zijn dementie nog goed Duits weet te spreken. Hoe mooi is het dat hij nog kan communiceren in een voor hem vreemde taal en hoe mooi is het dat de vrouw kan communiceren in haar moedertaal.  

Het is mooi te zien hoe de verbinding plaatsvindt. De eenzaamheid van de man doorbroken. Het verval door de dementie nog even teruggehouden. Dit alles in de binnentuin, de binnentuin, een omgeving met veel licht en groene bladeren.  

Het zou haar opa kunnen zijn, het zou zijn kleindochter kunnen zijn. Ze kennen elkaar enkele weken. Ondanks de dementie, herkent hij haar. Herinnert wie ze is. Weet dat ze Duits spreekt en benadert haar in het Duits. Hij voelt zich veilig bij haar en stapt met haar de wereld van de voor hem onbekende binnentuin binnen. In die wereld kan hij de optredens zien en horen. Genieten van muziek die deels bekend voor hem is.  

Het bekende, wat steeds verder wegglijdt naarmate de cognitieve functies afnemen. Het bekende wat niet alleen in het huis te vinden is, maar ook in de omgeving van het verzorgingshuis. Er is later in de week een gelegenheid om met hem een kopje koffie te drinken bij de koosjere bakker op enkele tientallen meters afstand van het huis. Samen met een collega, de vrijwilligster en een ander bewoner gaat de man op pad.  

Daar bij de bakker terwijl ze genieten van een kop koffie, hoort hij de Israëlische muziek en ziet hij klanten. Klanten die vaak ook een Israëlische achtergrond hebben.  Dit alles samen met de koffie en de typische lekkernijen maakt de wereld herkenbaar. ‘Het lijkt wel Tel Aviv’, zegt hij tegen mijn collega. Lijkt wel. Het begrip dat het niet echt tel Aviv is nog aanwezig. 

Na de koffie wordt er gewandeld, in de buurt. Meneer is verwonderd kijkt rond geniet van de gebouwen en de bomen. Er komt een man op hen af. Hij richt zich tot mijn collega. ‘Je weet niet wie hij is, ik ken hem.’, vervolgens richt hij zich tot de voetballer, die nu op ruim tachtig jarige leeftijd nog goed loopt, zonder rollator. ‘Ik heb als kind naar je op de televisie gekeken. Wat was je goed. Ik heb naar jou gekeken, Ik ken jou. Jij kent mij niet, maar jij hebt bij mij dertig jaar geleden in de winkel shoarma gegeten. Je bent altijd een mooi mens gebleven’. 

En nu ruim een week later zit hij opnieuw in de binnentuin. Met een kopje koffie. Even uitblazen na een driekwartier beweging. Naast hem mijn collega. Hij roept mij als ik langs kom. Hij vertelt mij van de ontmoeting. ‘Ik liep buiten en ineens kwam een man naar mij toe. Hij zag mij van ver. Hij herinnerde wie ik ben. Ik ben emotioneel’.  

Wij ook….. 

© Amiad Ilsar. 

De schoen

Ik bevind me in een schoenenwinkel. Ik pas een nieuwe schoen. Hij is nog stug, ruikt naar nieuw, ik moet de veters ontwarren en wring mijn voet in de ruimte waar net nog een prop papier zat. Ik loop met een nieuwe en oude schoen naar de spiegel. Kijk hoe het nieuwe schoeisel aan mijn voet zit en ik loop enkele passen. Controleer de pasvorm.  

Het is druk in de winkel. De aanbiedingen trekken vele potentiele kopers op deze zondag. Als ik terugloop moet ik mijn plaatsje op de bank heroveren. Overal liggen schoenen. Op de bank en op de grond. 

Enkele weken geleden lag er ook een schoen op een bank. Niet in een schoenenwinkel maar op mijn werk in een verzorgingshuis. Een zwarte herenschoen. Hij lag op een witte bank, die in de gang bij de lift stond. Een bank die er inmiddels niet meer staat en een schoen die er inmiddels niet meer is.  

De zwarte schoen ligt verlaten op de witte bank

Een beeld uit het verleden opgeroepen door het heden. 

Mijn gekochte schoen is niet zwart. Het is een gekleurde moderne sportschoen van een bekend Amerikaans sportmerk. Ik maak Amerika great again, terwijl ik mijn grijze sportschoenen met opvallende oranje veters van hetzelfde merk achterlaat.  

We stappen door de tijd en laten na afzienbare onze al dan niet versleten schoenen achter. Als medewerker in het verzorging en verpleeghuis heb je sterke stappers nodig.  Je moet sterk in je schoenen staan en lopen. De werkdruk is hoog, maar op de dag dat ik mijn schoenen vooral in de huisomgeving gebruik, omdat het openbaar vervoer staakt, mis ik de aandacht voor de druk in de zorg.  

Na eerdere stakingen in het openbaar vervoer en onderwijs over werkdruk, wordt er nu weer gestaakt ditmaal voor de pensioenleeftijd. Net alsof de medewerkers in de zorg geen zwaar beroep hebben. Op de witte bank staan echt geen schoenen van medewerkers. 

Hier op de gesloten derde verdieping worden voorwerpen op de meest onverwachte plekken achtergelaten. De man of vrouw van de schoen- een herenschoen impliceert hier niet dat degene die hem in het bezit had ook een heer was- is hem misschien allang weer vergeten. In deze gesloten wereld is de verbinding tussen de stappen soms zoek.  

Het zijn de schoenen, de stappen, van de medewerkers, vrijwilligers en familieleden, in wisselende volgorde, die hier het geheel vormgeven. De meeste bewoners, die nog kunnen lopen weten de weg niet meer. Ze weten niet meer waar, wanneer zij hier gelopen hebben.  

Zittende op de witte bank kun je hier in de gang een wisselende stroom van bewoners waarnemen. Achter je bevindt zich de gecamoufleerde lift waar bezoekers en medewerkers eventueel ongezien gebruik van kunnen maken. 

De zwarte schoen ligt hier misschien minuten, een kwartier, een half uur een uur. Zou iemand het hebben opgemerkt? De kans is klein. 

De meeste bewoners missen de opmerkzaamheid, de energie en de wil om alleen naar beneden te gaan. Medewerkers hebben het druk en lopen hier gehaast voorbij. Ze hebben andere doelen voor ogen dan de omgeving te bestuderen. En toch heeft iemand uiteindelijk de schoen weggehaald. Wie hem heeft weggehaald en wie hem daar eerder heeft neergelegd blijft voor mij een raadsel.  

Nadat de schoen is verdwenen verdween ook de witte houten bank.  Drie losse leunstoelen staan er nu. Zonder schoen. 

© Amiad Ilsar. 

Het kloppende hart

Het gebouw van het verzorgingshuis heeft vier verdiepingen. Elke verdieping heeft zijn eigen sfeer en bijzondere bewoners. Bewoners die we proberen te verbinden in de groene binnentuin, het kloppende hart van het huis.  

Op vrijdagmiddag vieren we het begin van de sjabbat . Dit doen we aan twee aan elkaar gekoppelde tafels met witte tafelkleden, kaarsjes eigen gebakken challe brood een versterker voor de liedjes, druivensap en wijn. 

Het is een zogenaamde alternatieve viering omdat de werkelijke ceremonie die de sjabbat inluidt te laat of te groots is voor de ongeveer twaalf deelnemers die we rond de tafels verzamelen.  De bewoners, die later in de middag in de gezamenlijke eetzaal eten, krijgen allemaal een glaasje druivensap of wijn naar keuze bij het diner. 

Het Jodendom kent traditioneel een tweetal momenten per week waarbij er druivensap en wijn wordt gedronken. Dat is bij de aanvang van de sjabbat en rond het middaguur op de zaterdag, de sjabbat zelf. Ook tijdens een feestdag zijn deze twee momenten gereserveerd voor het nuttigen van al dan niet alcoholisch druivenvocht. 

Een optelsom laat zien dat de bewoners die wijn krijgen degenen zijn die of in de eetzaal eten of meedoen aan de sjabbatviering. Een aantal bewoners van de verschillende afdelingen waaronder de gesloten afdeling op de derde verdieping zijn aan onze de aandacht ontsnapt. Zij willen vast ook wijn dacht ik voor twee weken geleden.  

Heel opmerkelijk kwam die gedachten omdat er bij het gezelschap van de bewoners beneden een vrouw kwam aanschuiven die nog een groot vermogen heeft tot zelfstandig handelen. Bij invulling van haar potentiele vermogen merkte ik op dat ze met bevende handen- die ze met inspanning onder controle weet te houden- heel goed het rode vocht in de plastic wegwerpglazen weet te schenken.  

Een extra dienblad met glazen en extra druivensap en wijn was voor handen en voor aanvang van de viering vulde de vrouw met haar opmerkelijke bonte hoofdoek in enkele minuten de benodigde glazen. Ongeveer 30 glazen. Dat moet zeker genoeg zijn rekende ik, aangezien er totaal bijna dertig bewoners er een kamer hebben en een aantal beneden naar de binnentuin komen. 

Mevrouw schenkt de glaasjes in

Afgelopen vrijdag kwam mevrouw later bij de sjabbattafel aangezien ze bij de fysio liet zien hoe je met wilskracht verwachtingen van professionals kunt overtreffen en uit je rolstoel weet te komen om meters te lopen. De vertraging leidde ertoe dat ze pas aan het eind van de ceremonie-als er nog weinig tijd over is- een dienblad met een aantal glaasjes klaar heeft. Het zijn er 14, dat is onze donatie voor de bewoners op de derde vandaag. Niet genoeg vrees ik. 

Het nieuws van de glaasjes wordt met enthousiasme door de collega’s in de zuster post ontvangen. Ze redden het echter wel. Ze zijn blij dat er aandacht voor hun bewoners is. Even het hart van beneden naar boven gebracht. 

© Amiad Ilsar. 

Een bijzondere verschijning

Daar zit hij ineens beneden in de binnentuin van het gebouw.  Het is een bijzondere verschijning meneer in zijn rolstoel. Midden in de drukte van bewoners, die in de binnentuin worden geplaatst. Hij valt op. Allereerst zijn er niet veel mannen in het huis en nog minder mannen met snorren. Een witte snor. Die samen met zijn witte haardos contrasteren met zijn zwarte keppel. Hij valt mij misschien ook op, omdat ik hem vooral ken van de afdeling. In zijn kamer aan het eind van de gang brult hij vaak om hulp. Hulp die niet altijd meteen gegeven kan worden, maar die hij bijna probeert af te dwingen door zijn manier van communiceren. 

Meneer in zijn rolstoel de bijzondere verschijning in de binnentuin

Een aantal keren ben ik wel eens naar zijn kamer gegaan om hem te proberen te helpen. Specifieke handelingen zoals hem naar toilet helpen kon ik niet uitvoeren. Zomaar een praatje maken en hem afleiden, zat er niet in. Uiteindelijk ging ik dan ook maar zijn kamer uit en schaarde ik mij ook achter de rij van zorgverleners die het hulpgeroep van meneer negeerde.  

Twee keer eerder deze afgelopen tien dagen was meneer aanwezig in de binnentuin. Twee keer ging het goed. Geen geschreeuw. Behalve zijn opmerkelijke gestalte viel meneer niet op. Tijdens twee ceremonies waaronder de 4 mei viering hoorde ik geen enkel geluid van meneer. 

Vandaag is het de officiële opening van een tentoonstelling van twee kunstenaressen. Het is geen ceremonie. Geen plechtigheid. Wel muziek, een hapje en een drankje. Beweging. Veel mensen. Ook mensen van buitenaf. 

Mijnheer heeft wel trek in een kop koffie en roept mij. Hij spreekt mij aan met mijn voornaam, iets wat best bijzonder is, in verhouding met het geringe aantal keren dat we elkaar hebben ontmoet. Met zijn cognitieve vermogen lijkt mij niets mis te zijn. Ik leg mijnheer uit dat er zo koffie komt. Niemand heeft nog koffie en hij krijgt zijn bestelde drankje op het moment dat dit volgens het programma gepland is. Uit ervaring weet ik inmiddels dat je niet iemand een voorrangspositie kunt geven want dan vraagt zo meteen iedereen om koffie. 

Mijnheer is niet blij met het horen van de informatie. Zijn stem gaat omhoog. “Koffie”, roept hij. 

Ik voel een bepaalde onrust bij mij opkomen. Nee. Geen geschreeuw hier, dat kunnen we niet hebben. Ik besluit om afstand te nemen. Mijn aanwezigheid wekt alleen maar frustratie bij meneer op. Hij verwacht van mij zaken die ik hem niet kan geven. 

De tijd gaat inmiddels verder en meer en meer mensen komen de binnentuin in. Het uitdelen van koffie en frisdrank is gestart. Ik kom terecht in de buurt van het buffet en help met de koffie, thee en fris. Ook nadat de opening heeft plaatsgevonden door een aftrap van Daniel de Ridder- een ex Ajax speler- de zoon van een van de kunstenaressen blijf ik bezig. 

Ik loop met dienbladen saucijzenbroodjes tussen keuken en binnentuin. 

Ik vergeet de man in de rolstoel. Pas na ruim een uur zie ik hem weer hoe hij in stilte nog steeds in zijn rolstoel zit. 

Waarom komt hij niet vaker naar beneden?  

© Amiad Ilsar. 

Niet invullen

Soms zijn er veel vrijwilligers aanwezig om te helpen met de activiteiten. Soms zijn er heel weinig. Vandaag is het zo’n moment. We gaan bloemschikken. Ik kom met een vrijwilliger terecht op de vierde verdieping met wat bloemen, scharen, steekschuimsponsjes en plastic bakjes. We snijden de bloemen en samen met de bewoners schikken we voor alle aanwezigen een bloemstuk.  

En dan komt het moment dat de bloemstukken naar de kamers mogen. De regeling is dat iedereen die een bloemstuk maakt dit naar zijn of meestal haar kamer kan nemen. Als we met veel vrijwilligers zijn dan schikken we in een grote groep beneden in de binnentuin en dan brengen we de bloemen naar boven. Naar de kamers van de bewoners. 

Dan sta je met een bloemstuk in een kamer en moet je besluiten waar zet ik hem neer. Vaak staat er nog een verwelkt stukje, dat betere tijden heeft gekend. Nu ik boven ben en dicht bij de kamers kan ik het beste zelf de bewoners vragen. De bewoners zitten hier bijna allemaal op een rolstoel. Dus is het aan mij om de bewoners naar hun kamer rijden. ‘Wilt u de bloemen vasthouden’, vraag ik? Dan rij ik u naar u kamer.’ 

Aangekomen in de eerste kamer, die vrij kaal is lijkt het mij logisch waar de bloemen moeten staan, op het tafeltje naast het bed. Ik wijs dan ook op dit het meubelstuk. Maar ik vul nu in. Ik ga uit van mijn eigen gezichtspunt. Mevrouw in de rolstoel wijst echter resoluut naar het aanrecht. Daar moet het bloemstukje staan. Deze plek is ook favoriet bij een andere bewoonster. Zij geeft mij ook nog instructies hoe ik de door haar verzamelde plastic bakjes van oudere verwelkte en weggegooide bloemstukjes kan vinden.  

Ik loop vervolgens opnieuw met een bewoonster richting de kamer. Waar zou zij de bloemen geplaatst willen hebben? Ik vul nu niets in. Ik laat het op mij afkomen. ‘Naast mijn moeder’ is het antwoord van de inmiddels overleden dove vrouw met haar roodgeverfde haren. Ik zet de kleurige bloemen naast de zwart witte foto van een statige vrouw.  

De laatste bloemen leiden mij met een vrouw naar een kamer met een tafel waar ook al een bloemstuk staat. Het is dan ook niet verassend dat het nieuwe net gemaakte bloemstuk daar terecht moet komen. Maar ik plaats de fleurige bloemen niet eerder dan ik hoor. ‘Op tafel’. Niets is immers zeker en ik moet niet invullen. Nu niet en nooit niet. 

Een mooie les op het eind van zomaar een woensdagochtend in een vier verdiepingen gebouw, waar rond de honderd hulpbehoevende mensen zorg krijgen. 

© Amiad Ilsar 

Het gevaar naar beneden


Het is tijd om af te ruimen. De borden van het ontbijt, de glazen en het bestek kunnen met de kaas,
de pindakaas en de jam en de tafelkleden van de tafel. Zes personen die lijden aan verschillende stadia van
dementie hebben hier in de woonkamer gegeten. Vier daarvan zijn er nog aanwezig. Twee
zijn er al naar hun kamer verdwenen. De resten van hun ontbijt staan op de tafel bij de lege stoel.  Ik val
vanochtend voor de voedselassistente in. Ik weet niet wat hier het beleid is. Ik erger mij aan de
achtergebleven sporen. Waarom moet ik alles afruimen? Het is hier toch geen hotel? Ik voel dat er een proces op gang komt waarbij ik straks de hele tafel moet gaan afruimen. Ik nodig een mevrouw uit om met mij de
vaatwasmachine te gaan inruimen. Het is normaliter een actieve vrouw. Altijd met een glinstering in haar
bruine ogen, altijd druk pratende, maar vandaag wil ze niet. Het is misschien het vroege tijdstip, haar
vermoeidheid of de mijn onverwachte aanwezigheid vandaag. Het is wat het is. Ze lijkt resoluut en ik voel aan dat het geen zin heeft haar te overtuigen.  Ik ben ook eigenwijs en ik wil niet alles alleen doen. Ik sta bij de
geopende vaatwasmachine en zie dat het mandje voor het bestek er los in zit. Nu is een loszittend mandje
misschien meer of minder standaard, maar ik heb weinig met vaatwasmachines. We wassen thuis met de
hand.  Het loszittende mandje brengt mij wel op een idee. Mevrouw naar de vaatwasser laten lopen gaat niet
lukken, maar ik kan wel de machine- of in ieder geval een deel ervan- naar de mensen aan de tafel brengen. Ik zet het mandje voor een andere bewoonster op tafel en leg het gebruikte bestek ernaast. ‘Kunt u mij even
helpen en het bestek in de bakjes doen?’, vraag ik de vrouw met haar lange grijze haren. Dat kan ze. Ik lever
haar vorken en messen aan en zij stopt ze met grote nauwkeurigheid in het grijze plastiek bakje met gaatjes.
Als al het bestek is weggewerkt komt haar buurvrouw in actie. Ze neemt het mandje over en begint messen
en vorken om te draaien. Ik begrijp niet helemaal wat er gebeurt. Maar laat het plaatsvinden. Ingrijpen kan
altijd nog. En dan komt de verklaring. ‘Kijk de punt’, zegt mevrouw terwijl ze naar de punten van de vork
wijst.  ‘Het gevaar naar onder’, vult ze aan.  

@Amiad Ilsar.