Het sjaaltje

Mevrouw zit voor mij. Ik sta in een grote kring van bijna twintig bewoners die wonen op de verschillende verdiepingen van het verzorgingshuis. Mijn collega’s en ik zijn hier om samen met de bewegingsagoog – een jonge blonde vrouw- een echte spring in ’t veld, ruim een half uur te bewegen op de klanken van allerlei muzikale hits. Vele gekleurde sjaaltjes worden gebruikt als attribuut. In mijn hand een zwarte sjaal. Een opvallend gegeven. Elke maal als we deze activiteit doen en de deelnemers een sjaaltje laten kiezen, blijven de twee zwarte sjaals over. Niemand kiest deze. Met de zwarte sjaal in mijn hand kan ik de mensen tegenover mij stimuleren en hoop ik hen in beweging te krijgen. Mevrouw heeft echter geen sjaal. Een andere deelneemster uit de groep heeft als enige twee. Hoe komt ze aan twee? Het is wel heel kenmerkend voor haar, altijd weer iets speciaals. Ik werp een blik in het witte plastic bakje waar op dit moment geen sjaaltje meer is. Leeg. Dan kan ik haar mijn sjaal geven. 

Maar wat is dat? Vraag ik mij af als ik mevrouw aankijk. Een paarse tulband een lichtbruine trui en…… een paarse sjaal, keurig om haar hals gedrapeerd en met zorg geknoopt. Ik sein een collega is. “zie je die paarse sjaal van mevrouw om haar nek?” Die is van vorige week. Meegenomen en tot haar eigendom verworven.  

In een lang verleden na het bloemschikken hadden we een deelneemster die het heel leuk vond om scharen mee te nemen. Deze mevrouw legde een hele verzameling aan. Mede omdat ze de tascontroles na afloop heel goed wist te omzeilen en als ze wel werd betrapt steevast beweerde dat dit haar schaar was en het onder geen beding wou afstaan. 

Terug naar de vrouw met het paars sjaaltje, zij heeft haar sjaal losgeknoopt en is mee gaan bewegen. De lengte van mevrouw of beter gezegd het gebrek hiervan leiden ertoe dat haar voeten in de lucht zweven. Met het paarse sjaaltje in haar handen volgt ze mijn bewegingen die ik met het zwarte sjaaltje in mijn hand doe. De bewoners hebben plezier. Wij hebben plezier het lijkt allemaal heel eenvoudig een activiteit met een gekleurd sjaaltje en wat muziek.  

Maar er is meer. Mevrouw had nu nog met haar paarse sjaaltje om ergens in haar eentje lopen of zitten te rommelen, in haar eigen fantasiewereld ver van hier. Net als vele anderen is mevrouw hier in de kring komen te zitten door haar persoonlijk op te halen. Kortom het creëren van deze groep kost veel persoonlijke inzet, motivatie en energie. Het gaat niet vanzelf. 

Maar op het moment dat iedereen hier nu is, is het feest. Een feest waar mevrouw nu niet weer na afloop met een sjaaltje kan ontsnappen. Als de muzieklijst klaar is en de stilte weer invalt krijg ik het lege witte bakje voor de verzameling van de sjaaltjes in mijn hand.  ‘Kunt u hier u sjaaltje in doen? Dan hebben we hem weer voor de volgende keer’. Daar gaat het paarse sjaaltje. ‘Dank u wel mevrouw’. 

© Amiad Ilsar. 

Vatsgelopen

Ik ben bezig om mevrouw over te halen met mij naar beneden te gaan. Mevrouw wacht op mensen die haar komen halen vertelt ze mij. ‘Voor de begrafenis’ voegt ze toe. Het is geen leuk moment waarop ik aansluit in de fictieve werkelijkheid van mevrouw. Terwijl wij daar in de gang van het verzorgingshuis staan hoor ik het geluid van vallende spullen. Een kletterende en tikkende symfonie van geluiden. Ik hoor mijn naam roepen en draai mij om. Verderop in de gang zie ik een buurvrouw van de dame waarmee ik sta te praten met haar rollator voor haar kamer staan, om haar heen spullen die op de grond liggen. Wacht u even, ik moet even u buurvrouw helpen’, zeg ik tegen de kleine vrouw met de opvallende paarse tulband, die nog steeds denkt dat ze zo meteen naar de begrafenis gaat.  

Ik loop naar de buurvrouw en automatisch zonder veel na te denken verzamel ik vanaf de grond het theeglas- gelukkig heel gebleven- de zoetjes en het plastic lepeltje. Ik leg ze op het plankje van de rollator, zonder dat ik realiseer wat de oorzaak van dit alles is geweest. Het blijkt dat mevrouw zich niet meer kan verplaatsen niet meer naar achteren, niet meer naar voren, geen centimeter, geen millimeter. Haar lange rok is vastgelopen in het mechanisme van het linker wiel van de rollator. Daar staat ze vastgezet door haar eigen stommiteit zoals ze het uitdrukt. Een te lange rok aangedaan. 

Geknield op de grond probeer ik vanaf de rechterkant van haar de rok los te trekken, geen beweging. Een tweede poging ditmaal vanaf de linker kant levert ook niets op. De rok blijft muurvast zitten. De rok gaat geen centimeter voor of achterruit. Dit gaat mij zo niet lukken. Ik heb een schaar nodig. Een schaar waar kan ik die vinden? Er is geen collega uit de zorg te zien in de gangen rondom ons heen. ‘Blijf staan, ik ga een schaar zoeken’, zeg ik tegen mevrouw en ik loop snel naar het kantoor van de collega’s van. Een collega van mij zit te typen achter een op tafel gelegen laptop. ‘De rok van mevrouw is vastgelopen tussen het wiel van haar rollator. Heb je een schaar?’ Mijn collega heeft zo gauw geen antwoord. We gaan samen op zoek in het kantoor, We trekken laden open en graaien tussen paperassen en dozen. Zoals gewoonlijk lukt het mij niet datgene te vinden wat ik zoek. Maar mijn collega wel.  

Alhoewel. Hij laat mij een verbandschaar zien, dat is natuurlijk ook een schaar, ik hoop dat de schaar scherp genoeg is om door de stof van de rok knippen. Hij geeft mij de schaar en samen lopen richting mevrouw, die als een stilleven in de gang staat. 

Ik ga voor de tweede maal voor mevrouw op mijn knieën. Ik doe geen huwelijksaanzoek maar begin te knippen. Even later geef ik de schaar aan mijn collega die de rok aan de andere kant losknipt. Eenmaal los moet er nog een stuk achtergebleven stof uit de wielas worden gehaald en dan kan mevrouw weer verder en ga ik naar de buurvrouw die alles vanuit een fauteuil in de gang heeft waargenomen en inmiddels vergeten is dat ze naar een begrafenis moest. Gezamenlijk lopen we naar de lift en gaan we naar beneden. 

© Amiad Ilsar. 

De film

Mijn vrouw en ik zitten in de zaal van een filmhuis. Op het scherm het beeld van een verzorgster. Ze zit naast de man. Zijn hoofd regen haar borst aan gedrukt en ze streelt zijn witte haar. Ze vertelt de onrustige en verdrietige man, die zijn moeder wil dat ze straks misschien even kunnen wandelen in het park. Op de achtergrondmuziek. Les percheurs de perles een opera van Bizet. Ik heb nog nooit van deze opera gehoord. In de film is de muziek eerder gebruikt. De film is een schitterende weergave van de tragiek rondom dementie. De ontkenning, de verwarring en de totale ineenstorting van de patient. Stap voor stap wordt het weergegeven met behulp van bijzonder acteerwerk van de zelf al ruim tachtig jarige acteur.  

De film geeft heel goed aan, hoe er meer werkelijkheden kunnen zijn. De man met de dementie ziet beelden van vroeger en nu die door elkaar lopen en een compleet ander hier en nu vormen dan waarin wij leven. De werkelijkheid is een product van ons brein. Een verstoord brein geeft signalen af die afwijken van de objectieve werkelijkheid. De subjectieve beleving loopt daardoor niet meer synchroon en er ontstaat verwarring. 

Als ik deze week in het verzorgingshuis een bewoonster naar de binnentuin wil halen zegt ze tegen mij dat ze wel even in haar kamer een briefje moet achterlaten voor haar moeder, dan weet die waar ze is. Dat haar moeder kan langskomen is een reële mogelijkheid voor haar. Een boodschap voor haar achterlaten is gewenst. Vroeger moest mevrouw bij het weggaan waarschijnlijk ook haar moeder informeren. Mevrouw is ruim dertig jaar ouder dan mij, maar ik moest als kind ook briefjes schrijven en mijn ouders mij, als we weg gingen en er was verder niemand thuis. In de huidige tijd hopen we een digitale boodschap van de kinderen te krijgen. 

Een dag later als ik weer een poging onderneem om mevrouw in de middag wil uitnodigen om naar beneden te komen om een pannenkoek te eten, is ze verdrietig en afwijzend. Ze kan niet met mij meekomen haar moeder is overleden. Ik kende haar wel. Van vroeger. Ik ga er verder niet op in en vertel haar wel dat ik begrijp dat ze geen zin heeft om naar beneden te gaan. Maar aan de andere kant geeft dat wat afleiding. Een lichte twijfeling. Nu kijkt ze naar haar sloffen. Nog voor dat ze nee zegt, vertel ik haar dat ze ook op haar sloffen naar beneden kan. 

Ze gaat bijna-akkoord ze moet nog wel even het tijdschrift die ze in haar handen heeft op de stapel oude tijdschriften leggen, anders wordt de meneer boos op haar. Hand in hand lopen we naar de lift. We komen een vrijwilligster tegen die met een andere bewoonster staat te wachten om naar beneden te kunnen. 

‘Is dat je dochter?’ vraagt ze. 

© Amiad Ilsar. 

Naar het strand

Afgelopen maandag zijn we met een aantal bewoners van het verzorgingshuis naar het strand geweest. Het strand bij Noordwijk. De zandvlakte ten noorden van het centrum van Noordwijk was uitgestorven, eind september er waren wat honden en hun eigenaars en wij. Wij waren er met een twaalftal bewoners en een viertal begeleiders. Voor de tweede keer dit jaar een uitje naar deze plek. Twee bewoners waren er vandaag voor de tweede keer. Dat was niet gepland. Maar het werd mogelijk omdat er op het allerlaatste moment een groot aantal van de eerder gevraagde kandidaten het in de vroege ochtend af lieten weten en besloten om maar niet mee te gaan. Vrouwen annuleerden en mannen vulde de plek. 

Het allerlaatste moment stond ik met een lijst in mijn handen waarvan zes van de twaalf hadden afgezegd. Drie kwartier voordat de taxi’s voorreden. Wat nu? In overleg met de collega’s van de zorg worden er vervangende kandidaten genoemd. Een deel daarvan wil wel mee. Voor een ander deel moet nog verder worden gezocht. Nog meer plaatsvervangers worden genoemd en weer maak ik verschillende rondgangen om negen uur in de ochtend. De eerste taxi’s staan voor de deur. Even later hebben we de nieuwe lijst. Telefoontjes naar het management plegen om nieuwe namen door te geven. Dit in verband met het tonen van een vaccinatiebewijs- er is een koffiestop gepland- en dus snel even naar kantoor, achter de computer plaatsnemen. Naar mijn mail gaan vervolgens kopiëren. Alle paperassen bij de receptie leggen en de eerste mensen ophalen die klaarstaan en naar beneden kunnen.  

Ik ga naar de vierde verdieping, mevrouw daar wil vast nog mee. Dat klopt, het enige wat mevrouw niet wil is een jasje, heeft ze niet nodig, vind ze, dan maar een vest voor haar meenemen. Mevrouw gaat met mij naar beneden, anderen volgen en personen kunnen nu ook in de inmiddels derde taxi plaatsvinden. Rollators en de lunchpakketten worden ingeladen en als de laatste reserve bewoonster door een vrijwilliger wordt opgehaald, verschijnt een voor mij bekend persoon bij de geopende liftdeuren. 

Ik sta bij de receptie en bij mij een aantekenlijst met de deelnemers. Het is een lijst die veel aantekeningen kent. Veel doorhalingen en met de hand geschreven namen. 

Een collega uit de zorg heeft gebeld en gevraagd of een bewoonster mee mocht. Deze vrouw was verleden keer ook mee geweest, de angst dat we met onopgevulde plekken blijven zitten, doet mij besluiten om toestemming te geven. De persoon, die nu de lift uit komt ken ik. Het is de betreffende vrouw maar in haar kielzog verschijnt een man waarvan niemand heeft gemeld dat hij meegaat. Hij is een vriend van de vrouw die extra meegaat, misschien daarom. Ze mogen doorlopen naar de taxi’s. 

En dan. Een verrassing. Een vrouw verschijnt achter de geopende liftdeuren. Ze draagt een jas. He? Mevrouw wou toch niet mee. Tot nu blijkbaar…..Een begeleidende collega uit de zorg geeft aan dat mevrouw mee gaat. Snel een telefoontje naar de vrijwilliger. We hebben iedereen. Kom maar naar beneden.  

Ik geef aan een van de drie chauffeurs het adres- bij de reservering doorgegeven- omdat hij ernaar vraagt en we kunnen vertrekken.  

© Amiad Ilsar. 

Theeglas

Ik breng een bewoonster terug naar de gemeenschappelijke woonkamer. Een groep van acht bewoners met een cognitieve achteruitgang delen samen een kamer, waar ze gezamenlijk een deel van de dag doorbrengen. Er wordt wat gepraat, een spel gespeeld, koffie en theegedronken en zowel lunch als diner gegeten. 

Het is lunchtijd en de tafel wordt gedekt met witte tafellakens. In verband met het kasjroet, de religieuze Joodse voedselregels moet vlees en melk gescheiden worden. Ook is er apart servies voor vleeskost en melkkost en is er bestek in verschillende vormen voor of vlees of melk.  

Een mevrouw aan het hoofd van de tafel heeft nog een ontbijtbord voor zich. Ook staat er een glas met thee. Zowel het ontbijtbord als het glas worden tot de melkkost gerekend en het is dan ook niet gek dat een collega uit de zorg het bord weg haalt. Om de regels in acht te houden moet ook het volle glas met thee weg. Dat doet de collega dan ook. In een vloeiende beweging wordt het glas zonder enige toelichting weggehaald en op het aanwezige aanrecht gezet. Een nieuw leeg glas geschikt voor het drinken bij vlees wordt neergezet.  

De actie van mijn collega brengt mevrouw- die al weinig van de wereld snapt- in totale verwarring. Ze wil haar thee terug. Hoezo neemt mijn collega, de thee weg? De wat ongeduldige gegeven verklaring dat het melk is brengt de rust natuurlijk niet terug. Mevrouw wil haar thee terug.  

In de ontstane situatie kan mevrouw alleen weer rustig worden als ze haar thee terugkrijgt, een onmogelijke opgave als de regels in stand moeten blijven. Of niet? Een glas heeft namelijk de eigenschap dat je er wat in kan gieten. Elk glas. Dus een leeg zogenaamd vleesglas kan worden gevuld worden met thee, die in een melkglas zit. Even overgooien. Deze oplossing wordt uitgevoerd door een andere collega, die het met thee- mevrouw haar thee- gevulde vleesglas aan mevrouw geeft. Er volgt een spannend moment. Gaat mevrouw dit accepteren? Neemt mevrouw tevreden met haar thee in een glas, wat duidelijk van vorm verschilt?  

De kwaadheid van de in het rood geklede dame verdwijnt met een. Ondanks haar cognitieve beperkingen heeft ze iets begrepen van wat hier gebeurt is en kijkt ze mij aan met haar blauwe ogen.  

‘Dank je wel’, zegt ze en ze pakt het aangereikte glas op en plaatst het dichter bij haar op tafel. 

@Amiad Ilsar 

Vlaggetjes

Er hangen twaalf vlaggetjes in onze woonkamer. Rode, gele, blauwe, groene en roze. De vlaggetjes hangen er sinds de verjaardag van onze dochter. Dat is alweer ruim drie weken geleden. Ze vindt het leuk, de vlaggen en vind het niet nodig dat we ze weghalen. Hoelang ze denkt dat we nog tegen de kleurige versiering moeten aankijken heeft ze niet gemeld. Gaan we ze dan maar zonder toestemming weghalen en wanneer? Twee vragen waar ik op dit moment geen antwoord op heb. 

Het argument wat ze gebruikt dat ze het gewoon ‘gezellig’ vind ik wel steekhoudend. Maar hoelang blijft het gezellig? Als je er steeds naar kijkt en het een blijvende factor wordt dan worden de gekleurde vlaggen minder opvallend en daarmee daalt de gezelligheidsfactor snel. Volgens mijn persoonlijke theorie. 

Vlaggen gebruiken we ook in het verzorging en verpleeghuis als versiering. Zo versierde we, gezellig tenminste dat dachten we de binnentuin in het kader van de olympische spelen met vlaggen van verschillende landen. De collega’s hadden via het internet duurzamere stoffen vlaggetjes gevonden die we vlak voor de start van de olympische spelen ophingen. Een groene vlag met een Arabische tekst viel mij wat op. In mijn jeugd was ik gefascineerd door vlaggen en leerde ik van veel landen hun vlaggen. Deze kende ik niet. De gestarte zoektocht op het internet leidde tot de conclusie dat het een vlag van Saoedi Arabie was. De tekst die op de groene vlag stond was Allah oe akbar. Op zich niets mis mee, maar gezien de lading die deze zin de laatste jaren heeft gekregen besloten we de vlag maar weg te knippen. Niet echt gezellig. De rest van de vlaggen hingen er tot Joods nieuwjaar en het moment dat de tuin voor dit feest werd versierd. Duidelijk er was een begin en een eind. 

Voor de vlaggen in de huiskamer had ik ook een einddatum. Namelijk meteen na het verjaardagsfeest. Heel even was ik aan het twijfel geslagen, toen ik vernam dat ze de vlaggen wou laten hangen met het gevolg dat we nu niet weten wanneer we ze weghalen. 

In de woonkamer hangen twaalf vlaggetjes. In de kamer van mevrouw hingen er zeker het dubbele. Mevrouw was jarig en ter gelegenheid daarvan was de kamer versierd. Twee linten met vlaggetjes die in een kruisvorm opgehangen waren. Mevrouw haar cognitieve vermogen was dusdanig dat ik mij afvroeg of zij wat heeft meegekregen van de kleurige versiering. Zou zij het ook als gezellig hebben ervaren? 

Ik weet het niet. Waarschijnlijk vonden de familie en de collega’s de vlaggetjes wel zo gezellig dat ze er net als bij ons thuis nog weken na haar verjaardag hebben gehangen.  

© Amiad Ilsar. 

Hulp van vrijwilligers

‘Het is fris. Misschien wat koud voor de benen’. Een opmerking die ik krijg van een collega uit de zorg, als ik met een bewoonster van het verzorgingshuis voor de lift sta om naar beneden te gaan. Ai, dat is misschien waar, maar waar haal ik nu dekentjes vandaan? Ik weet dat ze er zijn, maar waar? Het is een van de uitdagingen waar mijn collega en ik deze ochtend voor staan.  

Mijn collega is nu beneden- ik sta op de vierde etage- zij zit bij de groep van acht werknemers van Randstad finance die deze dag bij ons vrijwilligerswerk doen. Acht vrijwilligers en een vaste vrijwilligster die graag mee loopt faciliteren een mogelijkheid om met de bewoners te gaan wandelen.  

We wandelen niet vaak. We hebben veel menskracht nodig voor een wandeling. Er zijn heel veel bewoners die in meerdere of ook mindere mate aan een rolstoel gebonden zijn als het wandelen betreft. Behalve bewoners die de hele dag aan een rolstoel gebonden zijn en niet kunnen lopen, hebben we veel bewoners die voor een wandeling een rolstoel nodig hebben. Meer dan een rondje rondom het huis houden maar heel weinig mensen uit.  

De bewoners die vandaag meegaan hebben allemaal een rolstoel. Behalve mijnheer. De lange mijnheer met de pet wil graag meelopen. Maar als de groep later in deze ochtend in beweging komt haakt hij af en staat de vrijwilligster die hem zou begeleiden ineens alleen op de stoep. Op dat ogenblik kunnen we niet even snel een andere bewoner voor hem in de plaats regelen en de vrijwilligster blijft achter. Dit is echter wat later gebeurt en als ik met mevrouw-zonder plaid op haar benen- bij de lift sta nog geen weet van heb. 

Wat ik wel heb is spanning. De dame met wie ik nu naar beneden rij is de derde bewoonster en het naar beneden halen van de bewoners duurt allemaal veel langer dan de planning. Er zijn uitzendkrachten op de zorgafdelingen- ook van Randstad- die de bewoners niet kennen, waardoor alles wat langzamer loopt. Als ik een bewoner wil meenemen, die altijd met zijn vrouw wandelt, maar die nu op vakantie is, vertelt hij mij dat hij niet meegaat. Hij krijgt bezoek. Ik ben totaal verrast, hij krijgt toch nooit bezoek? Ik schakel maar snel verder. Wie kan er nog meer mee? 

Een twintig minuten later als de groep de uitleg over het kasjroet van onze sjoumer heeft gehoord zijn er een achttal mensen zittend op rolstoelen- bewoners van verschillende verdiepingen- bij de receptie. Spontaan wordt iedere vrijwilliger gekoppeld met een bewoner en lopen we naar buiten. Het is inmiddels ruim een half uur later dan gepland. Net voor vertrek legt mijn collega nog even uit hoe we stoepen af en op met de rolstoel gaan. Dan kunnen we eindelijk op pad. De vraag is nu wel in verband met de vertraging of we het halen om naar het park te gaan? Mijn collega en ik besluiten eerst naar de molen te lopen. Op dat moment heb ik nog geen bewoner, die ik moet duwen en loop ik ongebonden tussen de groep. 

Ik maak wat foto’s. Leg hier en daar wat uit over de omgeving- de vrijwilligers zijn geen Amsterdammers- en maak wat foto’s. Het is een fantastisch gevoel. Zo mooi. Buiten. Zoveel bewoners dankzij deze hulp even naar buiten.  

De wandeling gaat uiteindelijk via het park weer terug. Na een lunch verzorgt door de keuken, spelen we nog bingo en sluiten we de dag af. 

Het was hartverwarmend. De vrouw van het begin van deze ochtend kreeg later nog een plaid van mijn collega. Daarvoor mijn dank, maar behalve dat is zij de gehele dag door verwarmd door de inzet van al deze vrijwilligers. Onze dank is groot. 

 © Amiad Ilsar. 

Op de drempel

Ze zaten op een bankje toen ik met mijn fiets vrijdag vertrok. Twee lieve jonge volwassenen, die bij ons in het verzorgingshuis vrijwilligers werk hebben gedaan. Achter hun het verleden, het gebouw waar de ene jonge dame met de donkerbruine ogen bijna een jaar vier dagen per week heeft gewerkt. De andere jonge dame met de blauwe ogen elke vrijdag kwam werken en dat voor vier maanden. Voor hen ligt de toekomst, het weekend en daarna de reis terug naar Duitsland. Even op dit bankje tussen verleden en heden, op de drempel bleven ze zitten. 

Het is als Rosh Hasjana, het nieuwe Joodse jaar wat eraan komt volgende week, achter ons het verleden, de bezinning, voor ons de toekomst, de goede voornemens en ergens tussenin de realiteit. 

De appels met honing, de honingcake, de klanken van de sjofar vanochtend, het is er allemaal weer. De maand september, het nieuwe jaar, de herfst in aantocht. De bladeren gaan vallen maar bij de aansluiting van elk blad dat zit bij de tak weer een nieuwe knop, die volgend jaar uitkomt. Ook hier het verleden, het heden en de toekomst met elkaar verbonden. 

De vrijwilligsters gaan weg, twee nieuwe staan alweer klaar om naar Nederland af te reizen. Het lijkt een lopende band. Net als de bladeren, ze komen en gaan. Dat is de indruk van een van de vrijwilligster op dit moment van afscheid. Maar alhoewel de vervanging een ritme heeft, een lopende band beweging heeft, zijn de personen elke keer binnen bepaalde kenmerken uniek.  

Zoals de twee op de bank zitten zijn er geen anderen. Zoals elk blad van de boom anders is en er geen twee bladeren hetzelfde zijn, zo zijn alle vrijwilligsters van dit project uniek. Elk afscheid levert na een jaar een speech van achthonderd tot duizend woorden. Geen elk verhaal is hetzelfde. Zo ook het verhaal van de jongedame met de bruine ogen, die ik gisteren heb voorgelezen. Vandaag heeft de andere jongedame afscheid genomen en we hadden geen afscheidsrede klaar. Het was de laatste zo druk met afscheidsverhalen schrijven voor mensen en het is geen smoes Pia, maar daarom had ik je verhaal niet klaar. Echter hieronder heb ik iets kunnen samenstellen voor jou en daarmee een stukje van mijn schuld ten opzichte van jou in te vullen. 

Ondanks je drie letterige naam, had ik veel problemen hem te onthouden. Fia klonk mij makkelijker in de oren dan Pia. Je kwam met Lena, zij kon alles uitleggen en daarom liep jou inzet vlekkeloos. Je deed meteen mee. Je kwam om half elf zoals afgesproken – iets wat ik later begreep best bijzonder was-en ging aan het werk, je bracht bewoners aan de tafel, op de vierde of begane grond en ging helpen met het rollen van deegslangen en vervolgens het vlechten.  

Wat ik kon waarnemen van de kant was bijzonder. Je was net een uurtje in Beth Shalom. Je ging naast een van de cliënten aan de eerdergenoemde tafel zitten. Deze vrouw heeft vele cognitieve en fysieke beperkingen. Je ging ermee om alsof je in je jonge jaren al vele keren met mensen had gewerkt die beperkt waren. Je ging er zonder enige aarzeling meteen mee aan de slag. Je gaf het deeg in de verkrampte door een handschoen bedekte vingers en trok het eruit in een dunne sliert. Mevrouw keek naar wat je deed. Nadat je drie slangen had maakten jullie samen een challe door de slangen samen met elkaar vlechten.  

Dit beeld kwam elke vrijdag terug. Jij naast en met de clienten. Je keek altijd naar de verbinding, naar een mogelijkheid samen te zijn, ook in de middag tijdens de sjabbatviering. Deze eigenschap maakt je heel geschikt voor dit werk. Niet veel mensen beschikken over deze gaven. Echt niet. 

Ik zag je nooit gestrest, je nam de tijd. Nog even blijven zitten op de drempel van het oude en nieuwe op de bank. Wij zaten net in het kantoor en met wat vragen keken we terug en vooruit in de realiteit van het nu.  

Ineens realiseer ik mij dat er gasten over een uur thuis op mij wachtte. Ik fiets daarom snel weg, minder even later vaart en herinner jouw woorden. Tijd is een concept van de mens. Voor zes uur ben ik uiteindelijk thuis. 

De tijd is verdeeld in seconden, minuten, uren, dagen, weken, jaren en eeuwen. Seconden, minuten, uren, dagen, weken en maanden zijn verstreken. Bedankt voor jullie inzet, enthousiasme en motivatie. Veel succes in de toekomst en geniet van de weg erheen. 

Dank namens alle cliënten en medewerkers van Beth Shalom en van en voor iedereen een gelukkig, goed en zoet nieuwjaar. 

© Amiad Ilsar 

Zitplaats

Het is woensdagmiddag en het is vol in de binnentuin van het verzorgingshuis. Er worden pannenkoeken geserveerd. Aan de tafels zitten in verband met de preventie tegen covid, op afstand, en zoveel mogelijk in clusters verdeeld vele bewoners. Een groot deel van deze bewoners hebben mijn collega en ik met een aantal vrijwilligers van de etages naar beneden gehaald. Op deze dagen is het zichtbaar hoe in de praktijk blijkt dat de vrouw het sterke geslacht op aarde en zeker in dit huis is. Op elke man bevinden zich minstens drie tot vier vrouwen.  

De binnentuin is vol, zeker het gedeelte wat dicht bij de receptie en lift bevindt er staat daar een draaiorgel. Eens in de maand hebben wij een orgelman, die liedjes komt draaien. De muziek maakt het onmogelijk in dit gedeelte een gesprek te voeren. Toch zit hier een groot gedeelte van wat onafhankelijker mensen bij elkaar en lijken wel een goed gesprek te kunnen voeren. Wonderbaarlijk. 

Net als volle treincoupes, zitten de meeste mensen bij de in en uitgang van de tuin. Uiterst onhandig, want hoe bereik je nu een lege zitplaats in het midden van de binnentuin?  

De vraag wordt actueel als ik achter de plantenrij meneer zie aankomen. Hij gebaart mij druk en als ik dichtbij kom vraagt hij om een pannenkoek. Meneer kan een pannenkoek eten, maar waar wil mijnheer zitten? Hij geeft dit niet duidelijk aan en dus zoek ik een tafeltje in het midden van de menigte uit.  

Aan die tafel zit ook een vrouw, die naar mijnheer wenkte toen ze hem zag aankomen. Ik schat dat ik hier mijnheer kan laten zitten. Ik zet er een grote warme pannenkoek met bestek en servet neer. Het is een warme grote pannenkoek, de suiker, stroop en gember staat op de tafel. 

Onder de ratelende en bellende klokken van het draaiorgel is ook een tafel. Hier lijkt mij elk rustig gesprek onmogelijk. Maar de man van het verhaal baant zich achter de rollator een weg tussen de rollators, tafels en stoelen en ondanks de door mij aangewezen en gereserveerde plaats bij de vrouw schuifelt mijnheer naar deze tafel. Aan deze tafel zit op zijn rolstoel een goede vriend van mijnheer. Prima. Ik haal vast een lege stoel weg, zodat mijnheer vrij baan heeft. 

En dan gebeurt het. Mijnheer maakt een scherpe wending en zet koers naar een complete lege tafel, tegenover die van zijn vriend. Dit is de tafel, het nieuwe doel, dat mijnheer ineens voor ogen heeft. De tafel die helemaal niet in mijn beeld was. Hier wil hij zitten en omdat de luide muziek een goede conservatie onmogelijk maakt gebaart hij dat hij zijn vriend op de rolstoel naar deze tafel wil hebben. 

En zo schuif ik even later stoelen aan de kant, help de vriend naar de tafel te rijden en pak het bord met de pannenkoek van de tafel waar mevrouw zat. Eet smakelijk mijnheer. 

© Amiad Ilsar 

Jitschak

Het is een vakantiedag voor mij. Ik zit ’s morgens te worstelen met een tekst voor mij blog. Omdat ik nu een tweetal weken vrij ben vervagen de herinneringen en scherpte van een onderwerp vanuit mijn werk. Het is even voor half elf dat ik word gebeld en een vriendin van ons mij mededeelt dat een goede vriend, een prachtig mens, is overleden.  

Je naam was Jitschak, hij die zal lachen. Lachen deed je Jitschak. In de 20 jaar van vriendschap leerde we je kennen als een humoristisch persoon. Humor gebruikte je om de sfeer te breken, contact te maken en naar mijn gevoel ook soms om weg te blijven van serieuze onderwerpen en van jezelf. Je zette humor dan in als verdedigingsmiddel.  

Jouw humor wordt later deze ochtend aan onze eettafel besproken als een van de kenmerken van jouw karakter. Daarbij worden specifiek de grappen benoemt die jij met Craig een van oorsprong Zuid Afrikaanse sjoelbezoeker maakt. Jullie maakte over en weer grappen over de domme Zuid-Afrikanen en primitieve Marokkanen. Over de ‘Koheniem’, de hoge priesters waar Craig van afstamde en het ‘gewone’ volk waar jij en ik een afstammeling van zijn. 

Jij was een man van de klok Jitschak en ook daarbij maakte je met Craig grappen. Als een van jullie een paar minuten na tienen in sjoel- de aanvangstijd- binnen kwam wees de ander in stilte op zijn horloge. Op een keer toen je wat later was hadden we allemaal horloges op je tafel gelegd. Weer een ander keer hebben een aantal mensen de gehuurde Smart die je om de hoek bij de sjoel had geparkeerd, naar een andere plek had weten te duwen. Het was een variatie op het heel dicht bij elkaar parkeren zodat de chauffeur van de auto van degene die eerder gekomen was zijn deur niet kon openen.  

Het voorval met de Smart speelde zich af in de tijd dat je in normaal gesproken een op gas aangedreven grijze Citroen reed, Jij kwam op zaterdag om kwart voor tien bij ons voorrijden, je toeterde en nam ons mee naar de sjoeldienst. Wij hadden in die tijd geen auto en je was bijna een buurman van ons en met plezier nam je ons mee. Waarbij je soms op ons moest wachten omdat iemand van de vier personen niet op tijd klaar was. Je liet het nooit merken, maar ik heb het gevoel dat je dit niet fijn vond. Onze jongste dochter sprak van af haar geboorte tot ik schat driejarige leeftijd nooit een woord met jou tijdens de rit. Jullie hadden wel contact via de binnenspiegel en je zei dan, optimistisch. 

‘Niet erg. Eens zal ze je tegen mij spreken’.  

Je was optimistisch en hield van kinderen Jitschak. In de sjoel zorgde je altijd dat je snoepjes had en kwamen de kinderen met verlangen een snoepje innen. Je speelde voor goochelaar en liet propjes papier verdwijnen en uit handen en oren weer doen verschijnen. 

Je optimisme deelde je met mijn vrouw. Soms kwamen jullie elkaar tegen op vrijdagochtend op de plaatselijke markt. Als Ana zich zorgen maakte over het klaar maken van de sjabbat maaltijd zei je dat uiteindelijk we altijd sjabbat maken.  

Op de vrijdagavonden dat jullie bij ons aten zong je het eishet chail. Het loflied over de vrouw. Bij jullie zegende je de sjabbat met de wijn aan de ronde gedekte tafel. Ik vond het altijd mooi hoe je voorging in een gebed of religieus lied of hoe je tijdens de Pesach stukken uit de hagaddah snel voor las. Ook bij ons thuis gaf ik bij de jaartijd bijeenkomsten van mijn moeder of vader jou graag de eer om voor te gaan in het gebed.  

In de sjoel speelde je lange tijd een grote rol je was de gabbai, je regelde er de dienst. Er is nog een tafel in de sjoel van de Joodse namen van de mannen die kunnen worden opgeroepen die jij hebt gemaakt. Je las de hafftarot en ging een lange tijd voor in het ochtendgebed op de maandag. Na afloop bakte je dan de eieren voor een ontbijt. 

Je was opgevoed met traditie en religie en wist nog veel daarvan te gebruiken en ook door te geven. Bij de Mussar lessen was jij in de groep de man van de Joodse wijsheden. Jij kon als geen ander verklaringen aanslepen en daarmee een stuk verdieping bewerkstellen.  

Een aantal jaren alweer ging je met pensioen. Jullie sloten je restaurant waar onze dochter nog haar eerste baantje had en jullie gingen genieten van de rust. In de laatste jaren ging je gezondheid in kleine en soms grotere stappen achteruit. Je trok je steeds meer terug. Je kon moeilijk lopen en bleef steeds meer thuis. Je bleef langer in bed en sloot je meer en meer af achter het scherm van je telefoon. We maakte ons zorgen en toch zijn we overvallen door je dood. 

Lieve, allerliefste Jitschak we gaan je vreselijk missen. 

Moge je ziel worden opgenomen in de bundel van het eeuwige leven. 

© Amiad Ilsar.